Artikelen over bijen

 

1.  Kunnen bijen nadenken over hun eigen gedrag?

2.  Blootstelling aan zeer geringe hoeveelheden van imidacloprid maakt honingbijen zeer vatbaar voor parasieten   

3.  Een tijdelijk verbod op bepaalde bestrijdingsmiddelen.

4.  Vlinders in Diergaarde Blijdorp.

5.  Biologische controle van varroamijten in bijenvolken.

6.  Neonicotinoiden en neurotoxische insecticiden.

7.  Fungiciden als mogelijke oorzaak van bijensterfte.

8.  Onderdrukking immuniteitssysteem.

9.  Blootstelling aan neonicotinoiden tijdens de zwangerschap kan de ontwikkeling van de hersenen 

     negatief beinvloeden.

10. De teelt van de honingbij.

11. Internationale honinghandel.

12. Maken erfelijke eigenschappen een bij tot individu? En is dat nuttig? 

 
 

1. Kunnen bijen nadenken over hun eigen gedrag?

Tekst: Henk van der Scheer en Ardine Korevaar.

Uit: Bijenhouden magazine, 10e jaargang, nr 5., augustus 2016 

 

Honingbijen hebben een uigebreid gedragspatroon, zoals lopen, vliegen, klimmen, waarnemen en leren.

Lange tijd verschilden wetenschappers van mening welke delen van het gedragspatroon waren aangeleerd en welke waren aangeboren.

Wel waren ze het erover eens dat ze waarschijnlijk niet nadenken, aldus Randolf Menzel, emeritus hoogleraar neurobiologie en gedrag honingbijen aan de Vrije Universiteit van Berlijn (Menzel, 2015a).

 

Het bijenbrein is klein en gevuld met ongeveer een miljoen neuronen (zenuwcellen), maar ten opzichte van andere insecten behoorlijk groot. De zogenaamde paddestoel lichamen van het bijenbrein, welke wel 300.000 neuronen bevatten, lijken veel, vooral visuele, informatie op te nemen en te rangschikken tot 'kennis', die de bijen gebruiken om een voedselbron te kiezen en te vinden.

Deze 'denk' functies, die veel complexer zijn dan het simpelweg reageren op een prikkel, werden eerder alleen aan zoogdieren, inclusief mensen, toegedacht. Maar net als mensen hebben bijen een korte-  en een langetermijn geheugen. Ze slaan gedurende hun hele leven gegevens op. Hoewel normaal gesproken het denkvermogen en de stressbestendigheid bij het ouder worden ook bij een honingbij achteruit gaan, is die achteruitgang bij winterbijen (*) niet geconstateerd.

Integendeel, het brein van de oudere bijen kan zelfs weer jonger worden als er taken gedaan moeten worden die bij een jong brein horen. 

Er zijn 8 eiwitten geindentificeerd die bij deze verjonging betrokken zijn en dan rijst direct de vraag of deze eiwitten ook bij zoogdieren, inclusief mensen, een rol in "breinverjonging' kunnen spelen. 

 

Door waarnemen kunnen honingbijen leren. Onder natuurlijke omstandigheden doen ze dat op twee manieren:

- door overdracht van informatie tijdens het dansen en 

- door te oefenen in het visueel waarnemen van de route tijdens het vliegen in het veld.

 

Overdracht van informatie tijdens het dansen:

Uit onderzoek van Karl von Frisch weten we dat haalbijen hun kennis over een voedselbron doorgeven aan hun collega's door middel van dansen.

De rondedans geeft voedselbronnen dichtbij huis aan en de kwispeldans geeft voedselbronnen verder weg aan. 

De geinteresseerde bijen volgen de dansers en weten zo in welke richting en op welke afstand vanaf het nest de voedselbron zich bevindt.  Tevens krijgen ze tijdens het dansen de geur mee van het voedsel waarom het gaat. Met de dansinformatie vliegen haalbijen ruwweg in de richting en de afstand aangeduid in de dans, maar in de buurt van de bron aangekomen, gaan ze af op de geur van het voedsel. Overigens letten de volgens van de dansende haalbijen wel op de kosten en baten die de dansinformatie aangeeft. 

Naarmate een voedselbron verder af ligt, wordt er minder intensief gedanst. Honingbijen gaan liever naar een dichtbij gelegen aantrekkelijke voedselbron waarvoor intens wordt gedanst dan naar een veraf gelegen voedselbron waarvoor wat minder nadrukkelijk wordt gedanst (Al Toufailia e.a., 2013).

 

Door te oefenen in het visueel waarnemen van de route tijdens het vliegen in het veld:

Bij mensen en andere zoogdieren, ook bij vogels en reptielen, weten we dat individuen gebruik maken van een zogenaamde mentale kaart om de omgeving te leren kennen. Zo'n mentale kaart geeft aan hoe een individu de ruimtelijke (geografische) omgeving structureert en een representatie maakt van vooral de opvallende kenmerken van het landschap.

Menzel (2015b) vermoedt dat ook honingbijen gebruik maken van zo'n mentale kaart bij het navigeren naar voedingsbronnen. Dat 'maken' van zo'n mentale kaart gebeurt al bij het invliegen van jonge bijen voor hun nestplaats. Die mentale kaart wordt uitgebreid met nieuwe beelden naarmate bijen verder van het nest  af vliegen.

Tijdens een reis naar een voedselbron moeten bijen redelijk nauwkeurig kunnen navigeren. Daartoe gebruiken ze hun aangeboren zonnekompas en inwendige klok. Dat laatste is nodig, doordat de stand van de zon ten opzichte van de richting naar de voedselbron tijdens de dag verschuift van oost naar west door de draaiing van de aarde. 

Het blijkt dat jonge haalbijen de eerste 3 tot 5 vluchten verderaf van het nest nog geen voedsel verzamelen, maar zich orienteren op de omgeving en hun zonnekompas en inwendige klok ijken. Als dat geregeld is zijn ze in staat om snel hun nest terug te vinden.  

 

* Winterbijen worden geboren in de maand augustus/september en blijven de gehele winterperiode, zo'n 6 maanden, leven. Zomerbijen daarentegen leven maar zo'n 6 weken! Dit tengevolge dat de winterbijen bijna passief zijn vanwege de koude buiten temperatuur en de zomerbijen actief zoeken naar nectar, water, stuifmeel, enzovoort in de warme zomerperiode.

 

2. Blootstelling aan zeer geringe hoeveelheden van Imidacloprid maakt honingbijen zeer vatbaar voor parasieten.

Auteur: Henk Tennekes

Uit: het Buckfast bulletin, september 2013

 

Door twee onafhankelijke groepen (Alaux et al. in Frankrijk en Pettis et al. in de VS) is aangetoond dat blootstelling aan uiterst geringe hoeveelheden van het neonicotinoide insecticide Imadacloprid honingbijen zeer gevoelig maakt voor de darmparasiet Nosema. Deze onderzoeksresultaten sluiten aan bij de publicaties van de toxicologen Henk Tennekes en Francisco Sánchez-Bayo over de grote overeenkomsten in het dosis-werkingsprofiel van kankerverwekkende stoffen en neonicotinoide insecticiden.Gevreesd moet worden dat een veilig blootstellingniveau voor neonicotinoiden bij insecten en andere geleedpotigen in feite niet bestaat, en dat iedere hoeveelheid gif is voor deze organismen.

Het ultieme bewijs voor de bepalende rol van het neonicotinoide insecticide Imidacloprid bij de sinds enkele jaren sterk verhoogde bijensterfte wordt geleverd door met wiskundige vergelijking, die het verband beschrijft tussen de blootstellingconcentraties en blootstellingtijd totdat een dodelijke werking optreedt.

Het feit dat deze moeilijk afbreekbare insecticiden overal in het milieu voorkomen, maar ook in tuin, landschap en bosbeheer worden gebruikt, brengt het grote gevaar met zich mee dat insecten populaties door de giftige werking van neonicotinoiden overal sterk zullen afnemen.

Zie ook:

www.boerenlandvogels.nl/

 

3. Een tijdelijk verbod op bepaalde bestrijdingsmiddelen.

Auteur: A.H. de Witt

Uit: het Buckfast bulletin, september 2013

 

Vanaf 1 december 2013 zijn een drietal neonicotinoiden verboden voor gebruik gedurende een periode van twee jaar. Het betreft imidacloprid, thiamethoxam en clothianidine. Deze stoffen staan al gedurende langere tijd onder verdenking van het mogelijk mee veroorzaken van de wereldwijde sterfte van de honingbij. De eindstemming hierover had plaats op 29 april 2013.

Daarmee is "tijd gekocht" waarin er verder onderzoek naar de bijensterfte kan worden gedaan en kan er mogelijk een uitsluiting van deze stoffen als medeoorzaak van de bijensterfte plaats hebben. Dat neemt niet weg dat zowel de bodem als het oppervlaktewater nog lange tijd verontreidingd kunnen zijn met deze zeer slecht afbreekbare stoffen.

 

Pesticiden worden beschouwd als één van de verschillende factoren die verantwoordelijk kunnen zijn voor de afname in aantal bijen. Andere factoren zijn parasieten, andere ziekteverwekkers, gebrek aan veterinaire medicijnen en soms ook wel hun misbruik, de manier van imkeren en omgevingsfactoren zoals het ontbreken van de juiste habitat, voedsel en klimaatsverandering.

 

4. Vlinders in Diergaarde Blijdorp.

Auteur: Jeanette Verdonk

Uit: het Vlinders bulletin, mei 2014

 

De grootste vlindertuin van Europa.

Met de opening van Amazonica in april 2013, was Blijdorp ineens een tropische biotoop en een bijzondere beleving rijker.

Mensen zien, horen, ruiken en voelen dat ze in het Amazonegebied zijn terechtgekomen. Je ziet de prachtig gekleurde Zuid-Amerikaanse vlinders rondvliegen, je hoort water stromen, je ruikt bloemen en je voelt de tropische warmte.

De drijfbladeren van de Victoria Amazonica (de grootste waterlelie in de wereld met een diameter van ongeveer 3 meter, heeft een 4 tot 10 cm hoge rand en kunnen per blad ongeveer 40 kg dragen aan gewicht), de piranha's en sierlijke zoetwaterroggen horen hier thuis, maar de vlinders spelen uiteraard een hoofdrol.

Met haar uitstraling, materialen en vorm past Amazonica naadloos in de natuurlijke sfeer van Diergarde Blijdorp. 

 

Verzorger Louwerens-Jan Nederhof is van het begin af aan betrokken bij het opzetten van het nieuwe vlinderparadijs:

 

"We zijn begonnen met zo'n 20 vlindersoorten die relatief makkelijk te kweken zijn en tegen wisselende klimaatomstandigheden kunnen, zoals de blauwe azuurvlinders, uilvlinders en diverse soorten passiebloemvlinders. Elke week worden er vlinderpoppen besteld bij een erkende kwekerij in Costa Rica. 

Dit soort ptojecten draagt bij aan lokale bewustwording voor de natuur. Door de vlinders in hun natuurlijke omgeving te kweken worden de plaatselijke populaties beschermd. Uiteindelijk leveren de vlinders meer inkomsten op dan de productie van tropisch hardhout en is de lokale bevolking hiermee beter geholpen". 

 

Uit de verstuurde poppen komen vlinders die ongeveer 4 tot 6 weken leven. Berekend was, dat er binnen een maand na opening 2000 vlinders zouden vliegen en dat lukte. Van mei tot oktober kweekt Blijdorp zelf passiebloemvlinders. De omstandigheden blijken zo gunstig dat sommige vlinders, zoals de uilvlinders, spontaan eitjes zijn gaan leggen. Het is de bedoeling om het aantal vlindersoorten in de toekomst uit te breiden met kleinere en kwetsbaardere soorten, zoals de glasvleugelvlinder. Daarvoor moet de beplanting wel hoger en voller zijn geworden en moeten er meer bloemen bloeien.

Het hele jaar door staan er planten en bomen in bloei. Zeer herkenbaar zijn de Lantana's, een tropische pioniersplant die in variabele kleuren voorkomt en waar de vlinders nectar uit halen. Opvallend zijn de prachtige rode bloemen van de roos van Venezuela en de rode vruchten van de Orleaanboom.

 

Milieuvriendelijke koepel van Amazonica

Met een overspanning van 56 meter overdekt de koepel het tropisch regenwoud. Door de ragfijne houten structuur in combinatie met luchtkussens en de glazen gevel aan de oostzijde, dringt het daglicht tot diep in het woud door. Hiermee wordt voor de opwarming van de tropische wereld optimaal gebruik gemaakt van onze natuurlijke lichtbron.

De geodetische (= koepelvormig gewelf) koepel is zeer milieuvriendelijk en duurzaam door de lage milieubelasting bij de productie: het hout met FSC-keur is een product dat groeit in duurzaam beheerde bossen zonder de energie en grondstoffen van de aarde uit te putten. De extreem efficiente constructie in bolvorm zorgt ervoor dat er met een minimum aan materiaal en energie een maximum aan volume wordt gerealiseerd.

 

5. Biologische controle van varroamijten in bijenvolken.

Auteur: A.H. de Wit

Uit: Buckfast Bulletin nr. 109, 1 juni 2014

 

De paring van de Varroa Destructor-mijt, een ectoparasiet van de honingbij, heeft plaats in de verzegelde broedcel van zijn gastheer en wordt getriggerd door een vrouwelijk seksferomoon dat bestaat uit drie vetzuren en hun respectievelijke ethylesters. In een laboratorium onderzoek bekeken we interacties tussen het nageslacht van een varroa vrouwtje 11 dagen nadat de gastheer gesloten werd en in de afwezigheid en aanwezigheid van het seksferomoon en konden duidelijk aantonen dat mannelijke mijten niet in staat waren onderscheid te maken tussen geslachtsrijpe dochters en hun oudere of onvolwassen en niet-geslachtsrijpe vrouwtjes wanneer ze aan dit feromoon werden blootgesteld. Daar kwam nog bij dat paringpogingen in de aanwezigheid van het feromoon met normaal geslachtsrijpe vrouwtjes duidelijk korter waren in tijdsduur en dat mannetjes vaak faalden in het uitkiezen van een geslachtsrijp vrouwtje.

 

Om nu het effect te evalueren van de blootstelling aan het feromoon op succesvolle paringen en het aantal zaadcellen dat werd overgebracht onder veldomstandigheden, sproeiden we één van de feromoon componenten, oleinezuur, op een leeg broedraam voordat de gastvrouw (de bijenkoningin) begon met het leggen van eitjes en voordat de varroabesmetting begon en telden de zaadcellen van de dochtermijten op dit raam. We konden aantonen dat het aantal zaadcellen inderdaad waren gereduceerd en dat 20% van de vrouwtjes geen zaadcellen in zich hadden.

Onze gegevens openen nieuwe mogelijkheden en laten een veel belovende stap voorwaarts zien voor biologische controle van varroamijten in bijenvolken.

 
 

6. Neonicotinoiden en neurotoxische insecticiden.

Auteur:  Ghislain de Roeck

Uit: Buckfast Bulletin nr. 108, 1 maart 2014,

 

Neonicotinoiden behoren tot de klasse van de neurotoxische insecticiden. Ze zijn chemisch verwant aan nicotine. De eerste fase van de ontwikkeling gaat terug tot 1980. Die was in handen van de petroleumreus Shell die de zaak in 1990 doorverkocht aan firma Bayer. 

Neonicotinoiden werden ontwikkeld omdat ze selectiever zijn dan hun voorgangers de organofosfaten en carbamaten. Ze worden rond de zaden gehuld, wat voor het milieu beslist een pluspunt is. Maar er zijn helaas ook de kwalijke effecten op net-geviseerde populaties zoals bijen, vogels, kleine reptielen, e.a.

Neonicotinoiden werken meestal in op het zenuwstelsel van insecten, vaak viseren ze daar de acetylcholinereceptoren, dat zijn eiwitten gelegen op het membraan van de zenuwcellen. Acetylcholine zelf is een neurotransmitter die nauw betrokken is bij de signaaloverdracht vanuit de hersenen via de zenuwcellen naar de spieren (to transmit betekent 'overbrengen'). In de hersenen bevinden zich circuits van zenuwcellen die een groot aantal lichaamsfuncties regelen en tevens verantwoordelijk zijn voor het leer- en communicatievermogen. Het is dus dankzij de acetylcholine en het netwerk van receptoren dat signalen kunnen doorstromen vanuit de hersenen naar de organen waarvoor zij bestemd zijn, bijvoorbeeld naar de vleugelspieren waardoor het insect kan gaan vliegen, of nog, voor wat specifiek de bijen betreft, naar de voedselsapklieren om deze aan te zetten tot het uitscheiden van koninginnenbrij. 

Laat me dit illustreren voor wat imidacloprid betreft. Deze actieve stof bootst de werking van acetylcholine na, maar wordt niet, zoals deze stof, gedeactiveerd door het enzym acetylcholine-esterase. Hierdoor blokkeren de getroffen receptoren met verlamming en dood tot gevolg.

 

7. Funguciden als mogelijke oorzaak van bijensterfte.

Auteur: A.H. de Witt

Uit: Buckfast Bulletin nr 107, 1 december 2013.

Originele bron: Pettis, J.S. e.a. (2013). Crop Pollination Exposes Honey Bees to Pesticides Which Alters Their Susceptibility to the Gut Pathogen Nosema ceranae. PLos one 8.

 

De sterfte onder bijenvolken houdt nog steeds aan. Echte oorzaken zijn nog niet gevonden, hoewel door allerlei onderzoek het net zich wel steeds meer sluit. De verdenking ligt nog steeds op pesticiden, ziekteverwekkers, tekort aan gevarieerd stuifmeel (of een teveel aan eenzijdig stuifmeel), achteruitgang van de bijenweide (habitatdestructie) en klimaatwijziging. 

In juli 2013 werd in het vrij beschikbare online-tijdschrift PLoS one een onderzoek geplubliceerd waaruit naar voren kwam dat er in ieder geval een sterk verband bestaat tussen het eten van met fungiciden (middelen tegen schimmels) doortrokken stuifmeel en het optreden van Nosema ceranae, een darmparasiet. Door gezonde bijen het bewuste stuifmeel aan te bieden in combinatie met Nosema ceranae, bleek dat besmet stuifmeel samenging met een grote gevoeligheid voor de darmparasiet. Tot nu toe werd aangenomen dat fungiciden niet schadelijk waren voor bijen.

 

8. Onderdrukking immuniteitssysteem.

Auteur: A.H. de Witt

Uit: Buckfast Bulletin nr 107, 1 december 2013.

Originele bron: Mason, R. e.a. (2013) Journal of Environmental Immunology and Toxicology 1: 3-12. Immune Suppression by Neonicotinoid Insecticides at the Root of Global Wildlife Declines. 

 

Het hieronder genoemde artikel signaleert een veel verder reikend probleem dan dat van de pesticiden en honingbijen alleen.

In een artikel van R. Mason wordt aangehaald dat bepaalde pesticiden zich onomkeerbaar binden aan bepaalde receptoren. Het artikel handelt over de onderdrukking van immuniteitsreacties t.o.v. infecties. Het gaat dan om de wereldwijde neergang van dieren als honingbijen (besmet met Nosema ceranae), amfibieen (kikkers, salamanders etc. - de larven, maar ook de volwassen dieren die o.a. geparasiteerd worden door bepaalde wormen), vissen (waarbij opgemerkt wordt dat neonicotinoiden door de mazen van de waterkwaliteitsnormen slippen - o.a. in Nederland), vleermuizen (blijken aan het White Nose Syndrome te lijden - een schimmel), vogels (genoemd worden de groenling, de vink, de koolmees en de merel- de laatste lijdt aan een dodelijk virus) en als laatste de groep van de zoogdieren (gewervelden ondergaan meer effecten dan eerst werd gedacht).

Onderzoek naar de menselijke gezondheid en de ontwikkeling van nog ongeboren mensen laat zien dat ook daar nadelige effecten zijn. Ook bij ratten treden na toediening van niet - lethale (dodelijke) doses pesticiden afwijkingen op in hun nageslacht. In alle hier genoemde gevallen is het immuniteitssysteem aangetast. Daarnaast worden ook het gebruik en misbruik van pesticiden en ook de ophoping ervan (vanwege de slechte afbreekbaarheid) in het milieu aan de orde gesteld. 

Zie:  www.stmconnect.com

9. Blootstelling aan neonicotinoiden tijdens de zwangerschap kan de ontwikkeling van de hersenen negatief beinvloeden.

Auteur: Henk Tennekes.

Uit: Boerenlandvogels, vrijdag 02-03-2014.

 

Baby ratten die blootgesteld worden aan nicotine tijdens de zwangerschap lopen meer kansen op leerproblemen. Blootstelling aan nicotine tijdens de zwangerschap leidt tot een teruggang van volwassen stamcellen en een verandering in de synaptische elasticiteit in de hippocampus van het nageslacht, volgens nieuw onderzoek van de Universiteit van Alabama in Birmingham.  Onderzoekers zeggen dat dit een mogelijke oorzaak voor gedragsproblemen kan zijn zoals ADHD, vaak gezien bij kinderen wiens moeder rookte tijdens de zwangerschap.www.leefbewust.com/nieuws/1301_25.html

Een recent Japanse studie toont aan dat neonicotinoiden zoals imidacloprid zich bij ratten precies zo gedragen als nicotine. Dezelfde problemen kunnen dus ontstaan bij blootstelling aan neonicotinoiden tijdens de zwangerschap. 

Neonicotinoide insecticiden gaan een verbinding aan met nicotinenerge acetylcholine receptoren die vrijwel onomkeerbaar is omdat deze stoffen door het enzym acetylcholinesterase niet kunnen worden afgebroken. Deze receptoren zijn betrokken bij cognitieve functies zoals concentratie en geheugen en spelen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van het zenuwstelsel, die bij de mens grotendeels voor de geboorte plaats vindt.

Prenatale blootstelling aan organofosfaat insecticiden, die indirect met nicotinerge acetylcholine receptoren interfereren door remming van acetylcholinesterase, werd onlangs door verschillende Amerikaanse wetenschappers in verband gebracht met verminderende intelligentie bij 7-jarige schoolkinderen.

In de Verenigde Staten werd er een enorme toename van ADHD gezien sinds de invoering van de neonicotinoiden begin jaren 1990.

Zie: www.boerenlandvogels.nl/content/blootstelling-aan-neonicotinoiden-tijdens-de-zwangerschap-kan-de-ontwikkeling-van-de-hersene

 

10. De teelt van de honingbij.

Vertaling Geert van Eizinga.

Lezing broeder Adam te Zweden, 1983. Een korte samenvatting.

 

"Met de term teelt wordt meestal selectie en voortplanting bedoeld. Door middel van een verstandige selectie wordt een progressieve verbetering nagestreefd. 

Zoals u wellicht weet heb ik mijn  gehele leven reeds gewijd aan de meer intensieve vorm van teelt van de honingbij. Toen de Isle of Wight-epidemie de oorspronkelijke Engelse -inheemse- bij weggevaagd had, stond het overleven van de imkerij op de Buckfast Abdij op het spel. We hadden een bijenstam nodig die tegen die ziekte bestand was. Dat zulk een mogelijkheid voorhanden was leek duidelijk. De volken die tegen de epidemie opgewassen waren en een zekere mate van weestand lieten zien, waren van Italiaanse of Carnica oorsprong. 

Voor een correct begrip van de problemen die besloten liggen in de teelt van de honingbij dienen we voortdurend de invloed die het heersende milieu en de klimatologische omstandigheden uitoefenen op de erfelijke aanleg van de honingbij, in aanmerking te nemen, evenals de speciale reacties en de problemen die ze met zich meebrengen.

De natuur heeft van oudsher de honingbij geteeld. De verschillende geografische rassen vormen haar handwerk. De natuur heeft nergens en nooit geteeld op de specifieke aanleg om honing te verzamelen, maar altijd uitsluitend op de instandhouding (door voortplanting) en verspreiding. In de constante strijd om te overleven gedurende miljoenen jaren heeft de honingbij een buitengewoon vermogen ontwikkeld om zich aan te passen; een vermogen dat grenst aan het buitengewone. Ze kan evengoed in een spleet van een rots, als in een holle boom wonen en naar het schijnt elk type moderne bijenwoning, waartoe de moderne bijenhouder besluit om hen in onder te brengen.

Voordat we verder gaan dienen we wat meer specifiek op de invloed van de parthenogenesis (*) in te gaan. Darren -de mannelijke bijen- hebben geen vader, alleen een moeder. Door dit feit komt het, dat de mannelijke nakomelingen van een koningin, indien ze voortkomen uit een raszuivere kolonie, ook raszuiver zullen zijn. Daar komt nog bij: als een dar zijn genetische erfenis afleidt van een enkele set chromosomen, dan zijn miljoenen spermatozoiden noodzakelijkerwijze identiek. Dit op haar beurt betekent dat de dochters van één enkele dar genetisch enger verwant zijn aan elkaar dan volle zusters. Ze kunnen in feite vergeleken worden met identieke tweelingen.

Het feit dat een koningin paart met een niet nader bepaald aantal darren betekent heel duidelijk één van de meest effectieve manieren om sterke inteelt te voorkomen. Wanneer we in aanmerking nemen dat de spermatozoiden van een enkele dar alle genetisch identiek zijn, dan kan slechts meervoudige paring met een aanzienlijk aantal darren effectief een tegenwicht bieden aan het extreme risico van inteelt en haar ongewenste consequenties. Er kan met zekerheid van worden uitgegaan dat de meeste bijenhouders een maximum aan haalvermogen als hun exclusieve doel in de teelt zullen aanmerken.

We kunnen aannemen dat wanneer een volk goed presteert, alle eigenschappen die leiden tot een hoge prestatie aanwezig zijn. Een volk dat op een of andere manier gehandicapt wordt door een of andere ziekte of anderszins, of wil zwermen, op geen enkele wijze zijn maximum vermogen aan haaldrift kan ontplooien. 

 

Tot op zekere hoogte zijn we ongetwijfeld in staat om de verschillende genetische factoren, die van economisch belang zijn te intensiveren. We zijn ook in staat om tot op zekere hoogte de niet gewenste te elimineren en een zekere uniformiteit wat betreft vele eigenschappen te verankeren. 

De raszuivere teelt is het voornaamste anker waarop we kunnen vertrouwen om de verkregen voordelen die verkregen werden vast te houden en verzekert de onmisbare stabiliteit en constante aanwezigheid. Het vormt op die manier de basis tot succes in de kruisingsteelt en de syntheterisering van nieuwe combinaties. In feite biedt de raszuivere teelt de open weg tot elke mogelijkheid die de teelt van de honingbij kan bieden.

Anderzijds, zoals maar al te goed bekend is, is het verkrijgen en het in standhouden van een raszuivere stam geen eenvoudige zaak. De intensivering van welke speciale trek vereist een of andere vorm van inteelt.  Zoals algemeen erkend wordt, zal niet elke kruising blijken te voldoen. De rassen of stammen die gekozen worden moeten "passen", moeten met elkaar overeenstemmen. 

In het geval van de honingbij levert reciproque (wederkerige) kruisingen zelden identieke resultaten op, zoals kennelijk wel bij andere levende wezens. De koningin speelt gewoonlijk een dominate rol in de erfelijkheid van de honingbij. Gelukkig maar ligt de keuze die we voor een koningin maken geheel onder onze controle.

Het zal duidelijk zijn dat de invloed die heterosis (**) uitoefent zich niet slechts uitstrekt tot de gewenste eigenschappen, maar ook tot ongewenste. De zwermneiging is er een van. Een basaal instinct als deze, zal, als dit benadrukt wordt door de invloed van heterosis, domineren boven elke andere aanleg dat van invloed is op de haaldrift, met het resultaat dat een eerste kruising (F1 generatie genoemd) haar verhoogde vitaliteit zal verspillen in een tomeloze zwermneiging. Deze extreme aanleg om te zwermen zal grotendeels veranderen in de volgende generatie (F2 generatie genoemd), met het resultaat dat de vermogens die de prestatie uitmaken zich volledig kunnen laten gelden/tot ontplooing/uitdrukking kunnen komen. Wanneer gepaste zorg uitgeoefend wordt in de selectie van de teeltvolken zal geen verval of teruggang in de prestatie van de onderhavige generatie tussenbeide komen.

Natuurlijk zullen variaties in de algeheleprestatie optreden - een fenomeen dat geaccepteerd moet worden bij sterk ingeteeld teeltmateriaal-, maar het totale resultaat en de gemiddelde opbrengst per volk zal substantieel hoger uitpakken in een F2 en een F3 dan in het originele teelt materiaal of bastaarden van twijfelachtige oorsprong.  Slechts relatief weinige F1-kruisingen zijn economisch interessant qua honingopbrengst.


Kruisingen in het algemeen hebben bijna steeds een slechte naam wat betreft hun agressiviteit. Bijna steeds echter zijn daar de darren van de West-Europese groep van rassen of de Apis Mellifera Mellifera de oorzaak van. Darren van deze soort produceren nakomelingen met agressieve aanleg, zelfs wanneer ze gekruist worden met de zachtaardigste stammen. 

Anderzijds weten we ook uit praktische ervaring dat extreme agressiviteit, in een passende aanparing kan resulteren in een F1-kruising met buitengewoon zachtaardige geaardheid. 

Een derde eigenschap, naast de zwermneiging en de agressiviteit, die van eminent belang is en die ook beinvloed wordt door de heterosis, is namelijk de vruchtbaarheid. Naar mijn mening één van de belangrijkste eigenschappen van de honingbij. 

Er zijn vele tegengestelde meningen wat betreft de economische waarde en belangrijkheid van de vruchtbaarheid. Tegelijkertijd kan met niet ontkomen aan het feit dat een zekere mate aan vruchtbaarheid, die past bij een zeker klimaat en milieufactoren en nectarbronnen, de basis vormt tot succes in de bijenteelt. 

Actuele prestaties van een volk worden grotendeels bepaald door de vruchtbaarheids eigenschap. Het zijn gewoonlijk de sterkste volken die de meeste honing halen. 

 

 

Zoals u opgemerkt zult hebben, heb ik me uitvoerig beziggehouden met de verschillende aspecten en problemen van de kruisingsteelt want dit gedeelte van mijn uiteenzettingen zal ongetwijfeld van de grootste directe waarde zijn voor de meerderheid van de bijenhouders. In dit opzicht heb ik er behoefte aan om nog eens te benadrukken dat de keuze van de teeltmoer van het allergrootste belang is, omdat we met deze keuze tevoren bepalen, welke bij we krijgen en wat deze zal presteren. 

Terwijl de vele voordelen van rassenkruisingen, bezien vanuit het puur practische en economische gezichtspunt, onbetwistbaar zijn, zijn deze voordelen in feite van voorbijgaander aard -ze zijn niet duurzaam en blijvend van aard. De onderhavige kruisingen moeten steeds opnieuw worden samengesteld. 

Op Buckfast spelen raciale kruisingen een hoofdrol in onze imkerij. In de eerste plaats om de hoogst mogelijke oogst te verkrijgen.

In de tweede plaats als een belangrijke voorwaarde die voorafgaat aan de samenstelling van nieuwe genetische combinaties en het vestleggen van permanente waarden.

 

Samenvattend: Bij het ontwikkelen van raszuiver materiaal, wat het belangrijkste deel vormt van de teelt, kunnen we tot op zekere hoogte speciale trekken van een ras of stam slechts intensiveren en stabiliseren, maar kunnen we niet een eigenschap ontwikkelen die niet op een of andere manier reeds aanwezig is. Anderzijds, via een zorgvuldig gepland en uitgevoerd schema van combinatieteelt en synthetisering beschikken we nu over de mogelijkheid om nieuwe genetische combinaties te vormen en worden we onze mogelijkheden niet langer ingeperkt door de beperkingen, die ons opgelegd worden door de raszuivere teelt.

 

* Parthenogenesis: ongeslachtelijke voortplanting, voortplanting zonder bevruchtiging.

** Heterosis: toestand waarbij de eerste generatie na een kruising meer vitaliteit bezit dan een van de ouders.

11. Internationale honinghandel.

Auteur: Kees van Heemert

Bijenhouden magazine, 8e jaargang, nr 6, september 2014

 

Er gaan grote bedragen om in de honinghandel die zeer internationaal is. Handel in honing is er al zolang er bijen zijn.

Honing kan goed verhandeld worden omdat het meer dan een jaar lang houdbaar is, vanwege de hoge concentratie aan suikers die het bederf door micro-organismen tegen gaan. 

De meeste honing wordt in (sub) tropische gebieden gewonnen omdat daar een groot deel van het jaar bijenplanten bloeien en er meer bloeiende natuur is dan in geindustraliseerde landen. 

 

De belangrijkste mondiale producenten van honing zijn: China, VS, Argentinie, Mexico, de EU, Turkije en de Oekraine. Zij nemen ruim 50% van de wereldproductie voor hun rekening. In deze landen is er een overschot aan honing die naar alle windstreken geexporteerd wordt.

De vraag naar honing groeit elk jaar en zelfs sneller dan de productie. In Nederland is, met een gemiddelde consumptie van één potje honing per persoon per jaar, voor slechts 15% zelfvoorzienend en moeten we relatief veel importeren. 

 

Zowel naar de VS als Europa vinden transporten plaats waarbij de honing in grote vaten van 300kg per schip vervoerd wordt. Overigens worden door de grote importeurs die honing verwerken, vaak honingpartijen gemengd om een bepaalde eindkleur te krijgen of om grotere bulkhoeveelheden samen te stellen. 

Vaak is de honing niet meer vloeibaar na transporten over zee en moeten de vaten eerst korte tijd opgewarmd worden (bij 40 graden Celsius) om de honing vloeibaar en hanteerbaar te maken. Regelmatig worden partijen honing onderschept waaraan maltose (suiker van rijst of mais) is toegevoegd om de prijs van de honing te drukken. Door de groeiende vraag naar honing is de afgelopen 7 jaar de prijs van honing verdubbeld. Deze trend zal doorgaan. De biologische honing die in Nederland op de markt komt, maar niet in Nederland gewonnen wordt, heeft een ECO keurmerk. En als de honing uit een derde wereld land komt dan is er ook Fair Trade honing te koop, hetgeen een groeiende doelgroep aanspreekt. 

 

12. Maken erfelijke eigenschappen een bij tot individu?

Auteur: Henk van der Scheer en Ardine Korevaar

Bron: Bijenhouden magazine, 11e jaargang, nummer 2, april 2017

 

Bij kolonievormende organisemen is het de vraag wanneer we over een individu spreken of dit individu zich onderscheidt van de anderen in de groep. Hoe zit dat met een bijenvolk dat ook uit individuele bijen bestaat?

 

In haar eentje, zonder volk, functioneert een bij niet, zij leeft om een taak in het volk te vervullen.. Bijen doorlopen een min of meer identiek patroon van gedragingen na hun geboorte, te beginnen met cellen poetsen en het voeden van de larven.

 

Walton en Toth (2016) komen tot de conclusie dat er consistente individuele kenmerken zijn waar te nemen in het gedrag van honingbijen, een soort 'persoonlijkheid' van de bij met individuele verschillen.

Zij beschrijven die verschillen voor drie aspecten:

1. consistentie in individueel gedrag in de loop der tijd,

2. consistentie in individueel gedrag tijdens een bezigheid en

3. de aanwezigheid van een samenhangend stel verschillende gedragingen.

In het bijzonder vonden de onderzoekers verschillen tussen bijen wat betreft het gebruik van trophallaxis, het delen van voedsel, een belangrijk communicatiemiddel binnen het volk. Sommige bijen bleken deze communicatie veel meer te benutten dan andere bijen, een eigenschap die in verschillende leeftijdsfasen te onderscheiden bleef.

 

Verschillen in gedrag tussen werksters worden wel genetisch verklaard. De koningin paart immers met meerdere darren. Mogelijk hebben die genetische verschillen invloed op de variatie in actiedrempels voor omgevingsprikkels, zoals bijvoorbeeld temperatuur, waardoor de ene werkster bij lagere temperaturen uitvliegt dan de andere halfzuster. 

Deze variatie in respons kan volgens Leboeuf en Grozinger (2014) tot een efficiente taakverdeling en grotere werbaarheid leiden van het volk. In grote volken zou meer taakspecialisatie voorkomen dan in kleine volken, in kleine volken moeten bijen meer multi-tasken.

 

Individuele bijen met de laagste actiedrempel kunnen grotere groepen beinvloeden zoals tijdens de voorbereiding voor het zwermen. 

Overigens is de rol die individuele variatie, de 'persoonlijkheid' van de bij, speelt in het functioneren van het volk bij verschillende omgevingsomstandigheden nog lang niet helder in kaart gebracht. Maar om terug te komen op de vraag: Maken erfelijke eigenschappen een bij tot individu? Ja! Er zijn aanwijzingen dat bijen individueel verschillen en dat die variatie bijdraagt aan een efficiente taakverdeling in het volk en de weerbaarheid van de kolonie vergroot.