Van nectar tot honing; grondstof van honing: Nectar

 

 

- 1. Floeemsap (een suikerstroop met een suikergehalte van 40-70%)

- 2. De samenstelling van nectar

- 3. Bewerking van de nectar door de honingbij

- 4. Honing

- 5. Buitenlandse honing

 

1. Floeemsap

De basisstof waaruit honing ontstaat is floeemsap, een zoet voedingssap dat zich in de zeefvaten van de plant bevindt. Met dit floeemsap worden de voedingsstoffen naar alle delen van de plant vervoerd. Een belangrijke voedingsstof is de suiker die overdag uit koolzuurgas (kooldioxide) en water wordt gevormd in de bladgroenkorrels, die zich in de groene delen van de plant bevinden. Dit proces heet fotosynthese. De energie van het zonlicht wordt daarbij vastgelegd. Het floeemsap met daarin de opgeloste suiker doet uiteraard ook de nectarien aan, welke voor een deel bestaan uit cellen met zeer dunne wanden, waar het sap naar buiten kan komen.

De nectarien of nectarkleppen bevinden zich in de bloem (floraal) of op andere delen van de plant zoals bladstelen (extra-floraal).

Planten scheiden dit floeemsap uit hun zeefvaten als een "afvalproduct" ontstaan uit de fotosynthese in de plant zelf. Doel? Het lokken van insecten om bestuiving en bevruchting te bevorderen.

Dit afvalproduct wordt ook wel nectar genoemd, vertaald uit het Grieks wat 'godendrank' betekent.

 

Ook andere insecten genieten van het flooemsap:

Blad- en schildluizen prikken door het plantenweefsel heen tot in de zeefvaten. Hierbij produceren zij speeksel met pectinase, waardoor de bast van de plant gedeeltelijk oplost. Het floeemsap wordt opgezogen en in de maag opgeslagen. Er worden enkele enzymen toegevoegd, waardoor de samenstelling van het floeemsap verandert. Uit dit floeemsap halen de blad- en schildluizen bepaalde voedingsstoffen via eiwitten, waaronder aminozuren en ongeveer 50% van de stikstof. De rest van het floeemsap wordt in de vorm van honingdauw uitgescheiden. Bijen, mieren en zelfs wespen verzamelen deze honingdauw, die ze op bladeren en takjes van diverse loof- (esdoorn, linde, beuk en haagbeuk) en naaldbomen verzamelen.

Nectar onderscheidt zich dus van honingdauw, het floeemsap wordt op een verschillende manier verwerkt.

De suikerconcentratie van het floeemsap kan varieren van 5 tot 20%, die van nectar van 10-70%.

 

2. De samenstelling van nectar

Nectar is water waarin suiker(s) is (zijn) opgelost. Het suikergehalte van de nectar is zeer wisselend en onder meer afhankelijk van de plant, de temperatuur, de grondsoort, het bodemvocht, de luchtvochtigheid, de lichtintensiteit, de tijd van het jaar en de leeftijd van de bloem. Is het suikergehalte lager dan 30% dan vinden de bijen het vaak niet de moeite die nectar te verzamelen, zeker niet als er in de omgeving nectar met een hoger suikergehalte beschikbaar is. Voor een deel kan hiermee de voorkeur van de bijen voor de ene drachtplant boven de andere worden verklaard. Doorgaans schommelt het suikergehalte van de nectar van de Nederlandse drachtplanten tussen 40 en 70%. Ruwweg kan gezegd worden dat de bijen uit 3kg nectar 1 kg honing kunnen maken.

De productie en concentratie van het suikergehalte is afhankelijk van de tijd van de dag en klimatologische omstandigheden.

's Morgens produceert de plant relatief veel nectar. Tussen 10.00 en 14.00 uur en van 14.00 tot 18.00 uur is er minder nectar, maar deze is wel meer geconcentreerd. 's Avonds stijgt de hoeveelheid nectar opnieuw. Overigens fluctueert de afgifte van nectar bij de bloemen indien die bloem al eerder bezocht is door honingbijen of andere insecten. De bloem heeft weer even tijd nodig om de nectar weer "aan te vullen".

De productie van nectar en diens suikerconcentratie fluctueert met de weersomstandigheden:

Bij droog en warm weer produceert de plant minder nectar, maar heeft wel een hogere concentratie aan suikers in de nectar dan wanneer het weer regenachtig en koel is.

 

3. Bewerking van de nectar door de honingbij

Als de bij de verschillende tongdelen strak tegen elkaar legt, onstaat er een zuigbuis. Hierin beweegt zich de sterk behaarde tong heen en weer. Door de spierwerking van de keelholte en omdat de tongdelen luchtdicht tegen elkaar aanliggen komt er een zuigwerking tot stand.

Zo pompt de honingbij vloeibare stoffen in de keelholte, slokdarm en honingmaag.

De enige opening in de zuigsnuit bevindt zich bij de tongwortel. Deze tonggroeve is een vouw die gedurende het zuigen met uitgestrekte tong door de epipharynx (binnenlip) gesloten wordt. De tonggroeve speelt in het sociale leven van de bijen een belangrijke rol. De terugkerende haalbij geeft met teruggeslagen tong de huisbij via deze tonggroeve de inhoud van de honingmaag over. Ook wordt het voedersap via deze groeve getransporteerd.

De honingbij neemt de nectar met de tong op en pompt dit via de slokdarm naar de honingmaag. Bij het opzuigen voegt de honingbij speeksel en sappen uit enzymproducerende (fermenten) kopklieren toe aan de nectar, dit heet inverteren. Door het toevoegen van de enzymen uit de kopklieren worden de suikers in de nectar omgezet in een chemische structuur waarop bacterien en allerlei schimmels geen vat hebben. Tevens wordt er door dit proces waterstofperoxide gevormd wat een krachtig antibioticum is. 

De nectarverdunning door het speeksel verlaagt de viscositeit (= de mate van vloeibaarheid) van de nectar waardoor het opzuigen makkelijker wordt.

Hierbij worden de dubbele suikers reeds gedeeltelijk tot enkelvoudige suikers afgebroken, glucose en fructose. De stuifmeelkorrels worden tegengehouden door het maagportier. Soms gebruikt de haalbij een klein deel van de nectar voor zichzelf en brengt het dan via een ventiel in haar spijsverteringskanaal.

Nectar vormt voor de bijen de koolhydratenbron, het voedsel dat de energie levert die ze nodig hebben.

 

4. Honing

Wat is honing?

De basisstof van honing is nectar dat geproduceerd wordt door de nectarklieren onderin de bloemkelk.

Honing bestaat globaal uit:

-water 18%,

-vruchtensuiker (fructose) 38%,

-druivensuiker (glucose of dextrose) 31%,

-samengestelde suikers 10%,

-vitaminen, mineralen, hormonen, stuifmeelkorrels en enzymen 4%

 

De voedingswaarde van honing staat ongeveer gelijk met:

1kg honing= 1kg melk + 1kg vlees + 1kg eieren.

 

De kleur van de honing loopt uiteen van een zuiver witte kleur van de klaver tot het donkerbruine van de tamme kastanje. De smaak van de honing is afhankelijk van de dracht (bloem) waaruit deze gemaakt is. Over het algemeen geldt dat hoe donkerder de honing is de smaak van de honing ook krachtiger zal zijn.

Een bijenvolk kan in de loop van de zomer tot zo'n 300 kilo honing maken waarvan het overgrote deel weer als brandstof wordt gebruikt door de bijen.

Goede, onvervalste, honing gaat altijd op den duur kristalliseren (=versuikeren), de ene soort doet dit wat vlugger dan de andere. Dit wordt beinvloed door het gehalte aan de verschillende suikers, het water in de honing en de temperatuur waarin de honing bewaard wordt. Kristallisatie is een eindproces in de ontwikkeling van de honing.

Gekristalliseerde honing kan weer vloeibaar gemaakt worden door de honingpot enige tijd in warm water van maximaal 40graden Celsius te laten staan. Bij warmer water zullen de enzymen, vitaminen en mineralen vernietigd worden.

Eenmaal verhitte honing (meer dan enkele uren verhitten boven de 60 graden Celsius) blijft altijd vloeibaar! Dit gaat echter ten koste van de in de honing aanwezige enzymen en vitaminen. Deze honing wordt vaak gebruikt als bakkershoning.

Honing bevat minder dan 20% water zodat gistcellen en andere micro-organismen uitdrogen en gedood worden. Hierdoor kan honing enige jaren zonder problemen worden bewaard. Gunstige bewaaromstandigheden zijn een donkere ruimte en een gemiddelde temperatuur rond de 13 á 15 graden Celsius. Naarmate de honing ouder wordt in jaren verliest hij ook zijn belangrijke enzymen, vitaminen en mineralen.

 

Het wordt ten stelligste afgeraden honing aan baby's tot 12 maanden oud te geven in verband met de mogelijkheid op 'Infant botulism' oftewel 'zuigelingenbotulisme'.

Botulisme onstaat doordat de bacterie, Clostridium botulinum, zich vermenigvuldigt in het maagdarmkanaal van de mens en zo de giftige stof Botuline produceert, een neurotoxine die voor een darminfectie kan zorgen.

Sporen in het onderontwikkeld maagdarmkanaal van baby's maakt hen gevoeliger voor de ontwikkeling en het uitgroeien van deze bacterie.

De sporen van de Clostridium botulinum bevinden zich in de grond, in de bodem van riviertjes, meren en in het zeewater. Men vermoedt dat de bacterie in de honing terecht kan komen doordat de bij ze aan haar poten meeneemt bij het in aanraking komen met besmette grond of bij het drinken van besmet water.

 

5. Buitenlandse honing

Ongeveer 10% is van Nederlandse oorsprong, de overige 90% wordt geimporteerd uit andere Europese en niet-Europese landen.

De productiekosten van buitenlandse honingsoorten liggen over het algemeen lager dan in Nederland. De oorzaken hiervan zijn:

- Geen productie-onderbreking door een lang winterzeisoen (zoals bij ons sprake van is).

- Geen inwinteringskosten.

- Betere drachtomstandigheden (het klimaat is meestal tropisch of subtropisch).

- Een dikwijls grotere opgezette imkerij met meer dan 100 kasten in het bezit.

- Lagere lonen.

 

Honing uit (sub)tropische landen wordt meestal massaal verwerkt. Daarbij komen mengsels tot stand die in de eerste plaats een verlies aan aroma opleveren.

Hoe frequenter de honing wordt verwerkt en bewerkt, des te meer aromastoffen (vluchtige geurstoffen) er ontsnappen.

Honing uit tropische landen verblijft vaak geruime tijd onder zeer warme omstandigheden in havens en in schepen, wat ten koste gaat van de enzymen. Door de lange weg die tropische honing aflegt, is de leeftijd vaak moeilijk te bepalen. De hoogste kwaliteit bezit nog altijd de honing die rechtstreeks van de imker komt. Dit is er mede de oorzaak van dat men de voorkeur geeft aan het binnenlandse product. "Koop honing van buurman-imkers'.

Volgens de statistieken gebruikt de Nederlander 43 kg suiker en 440 gram honing per persoon per jaar.