De zwarte bij

 

Uit: Maandblad voor imkers. Titel: 'Apis mellifera mellifera'; de zwarte bij. Auteur: Onno Bakker. Uitgever: Universiteit Wageningen, 2006

 
 

Vijftig tot zestig miljoen jaar geleden vlogen er al bijen rond.

Goed bewaard gebleven exemplaren zijn gevonden in barnsteen of in aardlagen uit deze en latere tijden en laten min of meer continue ontwikkeling zien naar de huidige soort Apis Mellifera. Hiervan zijn weer een groot aantal ondersoorten te onderscheiden waarvan de Apis Mellifera mellifera er één van is. Deze ondersoort heeft een groot aantal namen in de 'imkersmond' zoals zwarte, donkere, heide-, Duitse of  Nederlandse bij. 

 

Europa werd pas na de laatste ijstijd door de bijen gekoloniseerd. Dit gebeurde vanuit het zuiden waar Apis mellifera mellifera de kou had kunnen overleven aan de westrand van de Middelandse zee. De Middelandse zeebekken is tijdens de laatste ijstijd overigens een soort kweekvijver geweest voor de verschillende ondersoorten van Apis mellifera; 14 van de 25 ondersoorten komen (nog steeds) rond de Middelandse zee voor.

 

Nadat het ijs zich teruggetrokken had koloniseerde de zwarte bij in snel tempo de gebieden ten noorden van de Pyreneen en de Alpen. Zij volgen daarbij de opmars van de warmte-minnende linde en eik. De maximale uitbreiding naar het noorden (tot voorbij de 60e breedtegraad) bleek overeen te komen met de mogelijkheden voor de groei van de hazelaar. De zwarte bij kon zich zo snel verplaatsen dankzij een aantal eigenschappen die haar uitermate geschikt maakten voor overleving in een koel, vochtig, gematigd klimaat.

 

Wat zijn dan de eigenschappen van de zwarte bij die haar bij uitstek geschikt maken om te overleven in een koel gematigd klimaat? 

Door Ruttner (*) kort samengevat komt het neer op 'voorzichtigheid als overleveringsstrategie in een harde omgeving'. De zwarte bij heeft over het algemeen een langzame voorjaarsontwikkeling die goed samengaat met een wisselvallig voorjaar. Ze is daarom later in het seizoen op volle sterkte en dus ook beter geschikt voor de latere (heide)dracht. Verder onderhoudt ze een niet al te groot broednest gedurende het seizoen en past de nestgrootte snel aan aan veranderende omstandigheden. Door dit relatief kleine broednest (niet meer dan 14 ramen in een bijenkast) is het voedselverbruik zuinig. Ook de nestopbouw met pollen en honing strak rond het nest spelen bij de aanpassing aan sterk wisselende (weers)omstandigheden een rol.

Deze zelfde, in de natuurlijke omgeving ideale, kenmerken hebben echter bijgedragen aan de 'ondergang' van de zwarte bij. De op productie gerichte imkerij had er niet veel baat bij, zeker toen rassen als de Italiaanse en de Carnica hun intrede doen. Ook de veranderingen in de landbouw met zowel een vermindering van late drachten (bijvoorbeeld boekweit) als de onkruidbestrijding hebben bijgedragen aan de neergang. Dit omdat de zwarte bij van nature meer is ingesteld op een late dan op een vroege dracht. Dat het echter wel mogelijk is zich aan te passen bewijst de zwarte bij in het zuiden van Frankrijk waar zij een dubbele broedcurve vertoont. Toename in het voorjaar, dan een inzinking in de hete zomer en dan in het najaar een tweede piek. Toch kan de aanpassing niet te ver gaan, omdat een deel van de eigenschappen genetisch is bepaald.   

 

Essentiele maten van de groep 'donkere' bijen.

De kleur van de Apis mellifere mellifera is donker en heeft een relatief groot lijf, zowel in de lengte als de breedte. Ze heeft een cubitaal index van gemiddeld 1.5 tot 1.8 mm (duidelijk langer dan Apis mellifera carnica) en een tonglengte tussen 5.9 en 6.2mm. 

(De cubitaal index betreft de verhouding tussen adertje a en b in de derde cubitaal van de rechter voorvleugel. Aan de hand van deze vleugelbeadering kan de afstamming van een honingbij bepaald worden!).

 

 

Al deze kenmerken vertonen zeer geringe geografische verschillen met andere woorden een Apis mellifera mellifera uit het noorden van Europa is qua maatvoering niet te onderscheiden van een familielid uit het zuiden. Alle metingen aan de verschillende ondersoorten laten zien dat Apis mellifera mellifera erg dicht bij bijvoorbeeld Apis mellifera iberica staat. Deze laatste is de bij die in Spanje en Portugal wordt gebruikt en die zich heeft aangepast aan de verschillende microklimaten in deze landen.

In tegenstelling tot het gebrek aan geografische verschillen bij de Apis mellifera mellifera zijn er bij Apis mellifera iberica meerdere subpopulaties (wel tot dezelfde ondersoort behorend maar toch teveel van elkaar verschillend) te onderscheiden. De oorzaak moet volgens de wetenschappers worden gezocht in de verschillende kleine klimaatzones (van warm tot gematigd) die het Iberisch schiereiland rijk was tijdens de laatste ijstijd. De Apis mellifera iberica zou dan ook een 'oudere' bij kunnen zijn. Als we deze lijn doortrekken dan komen we in het noorden van Afrika waar we de andere leden van de 'donkere' tak vinden, Apis mellifera major, Apis mellifera intermissa en Apis mellifera sahariensis. 

Al met al lijkt het erop dat de donkere bij ooit vanuit het noorden van Afrika is overgestoken naar het Iberisch schiereiland. Hier heeft ze een tijd onder verschillende omstandigheden geleefd en zo konden subpopulaties ontstaan. Aan het einde van de laatste ijstijd is dan de grote expansie begonnen en ontstond, misschien uit één van de subpopulaties, Apis mellifera mellifera. Deze heeft nu door haar snellere verspreiding (nog) geen tijd gehad subpopulaties te ontwikkelen en is dus dezelfde in de Provence (Frankrijk) als in Noorwegen.

 

Verwarring over Apis mellifera caucasica.

Eén ondersoort moet hier nog genoemd worden en dat is de Kaukasische bij, de Apis mellifera caucasica. Qua grootte en vleugeladering zijn zij namelijk zo goed als gelijk aan de Apis mellifera mellifera en verder komen eigenschappen als matig groot broednest, veelvuldig gebruik van propolis etc ook overeen. De kleur is echter anders en lijkt meer op die van een Apis mellifera carnica. De tonglengte verschilt echter sterk. Deze grote tonglengte, meer dan 7 mm, is een van de redenen waarom er met Apis mellifera caucasica wordt geteeld. Het zou namelijk van voordeel kunnen zijn bij de klaverdracht. 

 

Opleving van aandacht voor Apis mellifera mellifera.

De zwarte bij heeft echter in de geschiedenis van de imkerij een belangrijke rol gespeeld. Dankzij het duidelijke kleurverschil tussen de Apis mellifera ligustica (de 'gele' Italiaanse bij) en de zwarte bij is Dzierzon in staat geweest de pathogenese te ontdekken. Het probleem met de slechte naam van Apis mellifera mellifera is volgens Ruttner ook deels te wijten aan het feit dat er nooit veel mee is geselecteerd.

Nu er weer opleving is in de aandacht voor deze oorspronkelijke Europese bij, wordt er ook geselecteerd, bijvoorbeeld in Oostenrijk. 

 

 

* F. Ruttner, 2003 Naturgeschichte der Honigbienen, Franckh-Kosmos Verlag, Stuttgart, 2003.

www.imkerpedia.nl/wiki/index.php/Apis_mellifera_mellifera