Ik had al eerder iets moeten vermelden over de Reuzenbalsemien...

02-02-2015 11:35

Uit het ' Maanblad voor imkers' door Hennie Oude Essink, november 2006.

 

De Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera Royle) is een éénjarige, forse en rijk bloeiende plant; zeer opvallend door haar hoge, roodgevlekte, waterige stelen en haar overvloed aan grote roze tot purperrode bloemen. De plant bloeit 3 maanden onafgebroken en is een rijke bron van pollen en nectar voor hommels, bijen en zelfs vliegen.

 

Het geslacht Impatiens bestrijkt nagenoeg de gehele balsemienfamilie, 500 soorten die overal in de warme streken voorkomen. 

Bij ons zijn vooral het Groot Springzaad, het Klein Springzaad en de Reuzenbalsemien bekend.

 

De Reuzenbalsemien werd in 1839 door Royle als sierplant uit Noord-India en de aangrenzende Himalaya naar de New Gardens in Engeland gebracht en van daar naar het Europese vasteland en heeft na verwildering grote kolonies op oevers van rivieren, beken en in moerassige streken in geheel Europa gevormd. 

 

De plant ontkiemt in het vroege voorjaar op een natte bodem. Daarna komt al spoedig, op een zeer ondiep wortelstelsel, de dikke, waterige groeistengel omhoog die een hoogte van 2 á 2.5 meter bereikt. 

Waar de bladvoet aan de stengel ontspruit, verschijnen opzichtige, extra-florale nectarien, forse knotsen waarop rode klieren suikersappen afscheiden: vandaar de naam glandulifera= klierdragend.

De bloei van de plant duurt 3 volle maanden van juli tot september, één van de belangrijkste (laatste) drachtplant voor o.a. de honingbij. 

Na de eerste vorst verwelkt de plant. 

 

De bestuiver (honingbij, hommel of vlieg), moet de bloem helemaal inkruipen om bij de nectar te komen en krijgt daarbij de witte stuifmeelpollen op zijn kop en rug. Door de lichaamsbouw en langere tong van de hommel (t.o.v andere insecten) komt deze dieper in de bloem terecht en komt daardoor makkelijker bij de nectar en stuifmeelpollen van de plant. 

 

Bij het bevrucht zijn van de bloem verwelkt deze en worden "doosvruchten" gevormd welke onder hoge druk komen te staan en openspringen bij aanraking; de vijf wanddelen van de vrucht krullen bliksemsnel op en slingeren daarbij de rijpe zaden over grote afstand rond; vandaar de naam 'balsemien' = zaaddrager, 'springzaad', 'nolitangere' = raak mij niet aan, 'impatiens' = geen aanrakingverdragend.

 

Na de vorstperiode kiemen de zaden en zorgen voor een hele kolonie jonge planten rond de oude moederplant; de gemiddelde opbrengst aan zaden per plant is ongeveer 1500 stuks. 

 

Zoals al eerder vermeldt zijn hommels de voornaamste bestuivers van de Reuzenbalsemien vanwege het feit dat zij als enige heel diep in de bloem kunnen kruipen. 

De bloem biedt haar nectar echter in zo'n ruime mate aan dat deze de bloem "vult" en hierdoor de nectar ook voor andere insecten bereikbaar maakt. 

Het suikergehalte van de nectar is hoog, zo'n 52%, ze leveren een ruime stuifmeelpollen aan,  wat de plant weer  tot een grote drachtaanbieder maakt. 

 

Imkers oogsten van de balsemien een licht gele, dunne en zoete honing die wit/cremig uitkristalliseert in de loop der tijd.

Bij met witte stuifmeelrugZoek de bij in de kern van de bloem.