Stuifmeel

 

Uit: "Apitherapie, gezondheid uit de bijenkast"

Auteurs: Klaas Sluiman

Uitgever: Bijkersgilde

Uitgave van de Stichting Bijkersgilde en onderdeel van de Cursus Specialist Bijenproducten.

 

Let Op:

De informatie in dit boekwerkje is bedoeld als educatief onderdeel van de cursus Specialist Bijenproducten van de Stichting Bijkersgilde en is niet bedoeld als basis voor diagnose of behandeling, noch als vervanging van behandeling door een bevoegde beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.

De uitgever wijst elke aansprakelijkheid die direct of indirect voortvloeien uit informatie op deze pagina's nadrukkelijk van de hand.

 

"Pollen (of stuifmeel) is het onderdeel van de plant dat de mannelijke kiemcel naar de vrouwelijke bloem brengt met het doel deze te bevruchten. Een pollencel is zo klein dat deze alleen onder een microscoop is te zien. In 1 gram stuifmeel zitten 14.000 tot 300.000 pollen, afhankelijk van de plant want iedere plant heeft zijn specifieke pollenvorm, -kleur en -grootte. Daardoor kunnen ze feilloos worden geidentificeerd.

 

Bijen spelen bij het transport van pollen , en daardoor bij de bevruchting van planten, een belangrijke rol. 

De bijen, zowel de honingbijen als de solitaire bijen en wilde bijen, hebben pollen nodig voor een gezonde ontwikkeling van hun broed. 

 

Pollen bevatten koolhydraten, eiwitten, vetten, mineralen, enzymen, fytohormonen (deze regelen de stofwisseling van de plant) en etherische olieen.. Deze pollen worden als waardevol voedselsupplement gezien. 

De chemische samenstelling van stuifmeel verschilt per plantensoort. De beste stuifmeelleveranciers in NL zijn de hazelaar, de wilg, de populier, de esdoorn, fruitbloesem, de braam en de framboos, weegbree, distels, klavers en klimop.

 

In de bijenteelt wordt stuifmeelonderzoek toegepast bij het imkerproces om tot identificatie van de honing te komen. Als er een vastgesteld percentage pollen in de honing wordt gevonden kan de honing de naam krijgen van de betreffende plant.

 

De international Commission for Plant Bee Relationship heeft richtlijnen opgesteld voor pollengehalte in relatie tot de naamgeving:

* Groep ! (minder dan 20.000 pollenkorrels per 10 gram): bijv de linde, de robinia en de distel mag de naam al aan de honing worden gegeven bij percentages vanaf 20%,

* Groep !! (tussen de 20.000-100.000 per 10 gram): bijv fruitbloesem, de klaver, koolzaad en boekweit mag de naam worden gegeven bij percentages boven de 45%,

* Groep III (tussen 100.000-500.000 per 10 gram): Bijv phacelia, tamme kastanje en vergeet-mij-nietjes dan moet 80-90% van de pollen tot deze soort behoren,

* Groep IV (500.000-1 miljoen per 10 gram): enkele pollenrijke honingen en pershoningen en als laatste

* Groep V (1 miljoen of meer): pershoning.

Als er bruine schimmelsporen aanwezig zijn in even grote hoeveelheden als de pollen, dan is de honing overwegend bladluishoning.

 

In de algemene natuurgeneeskunde heeft verse stuifmeel nog niet veel kansen gehad, omdat de verwerking omslachtig is. Pollen moeten bij de oogst meteen dezelfde dag worden geconserveerd. Het wordt daarvoor gedroogd en diepgevroren of door honing gemengd. 

 

Stuifmeel bevat vele stoffen die door de mens als gezond worden ervaren. Stuifmeel heeft bloedzuiverende en anti-biotische eigenschappen.

Bij leverklachten heeft een pollendieet zijn waarde bewezen. Bij chronische vermoeidheid, concentratiestoornissen en depressiviteit zijn positieve resultaten bekend. 

Het reguleert de darmwerking, geneest bloedarmoede bij kinderen, wordt gebruikt tegen ouderdomskwalen, menopauzeklachten, prostaatvergroting, neerslachtigheid, lusteloosheid en stress (Chauvin en Caillas).

Vanwege de grote hoeveelheid micronutrienten wordt het door sporters gebruikt voor optimalisering van de voedingsconditie. 

Ook bij hooikoorts, astma, keelpijn en verkoudheid worden stuifmeelpollen ingenomen. Een eetlepel per dag. 

 

Chemische samenstelling van stuifmeel (die overigens ook verschilt per plantensoort):

Eiwitten gemiddeld 24% met een minimum van 7,5 en een maximum van 35%,

Vetten gemiddeld 4,8% met een minimum van 1 en een maximum van 15%,

Suikers gemiddeld 27% met een miminum van 15 en een maximum van 45%,

Fosfor gemiddeld 0,53% met een minimum van 0,1 en een maximum van 0,6%,

Kalium gemiddeld 0,58% met een minimum van 0,15 en een maximum van 1,1%,

Calcium gemiddeld 0,225% met een minimum van 0,1 en een maximum van 0,5%,

Magnesium gemiddeld 0,148% met een minimum van 0,1 en een maximum van 0,35% en

Natrium gemiddeld 0,44% met een minimum van 0,15 en een maximum van 0,8%.

 

Micro-elementen: 

Mineralen: kalium, magnesium, calcium, ijzer, fosfor, zwavel, mangaan, silicium en koper. 

Vitamines: B1, B2, B3, B6, B8, B9, B12, vit C, Patoteenzuur, in mindere mate vit A, D, E, K en rutine.

Aminozuren: voor de 24 bekende aminozuren worden er een twintigtal in stuifmeel aangetoond. Bijen kunnen daarvan 10 niet ontberen voor het voortbestaan van het volk. 

Antibiotische stoffen, enzymen en hormonen.

 

Gemiddelde waarden zijn in mg/g:

* IJzer 140

* Zink 78

* Mangaan 100

* Koper 14

* Nikkel 4.5

* Boor weinig

* Jodium weinig

* Thiamine 9.4

* Niacine 157

* Vit B2 18.6

* Vit B3 28

* Vit B6 9

* Vit Bc-folium 5.2

* Vit H-Biotine 0.35

* Vit C 350

* Provitamine A-Carotenen 95

* Vit E 14

 

 

 

 

 
 

 

Uit: Bijenhouden 2010/10, oktober 

Auteur: Henk van der Scheer en Mari van Iersel

"Zonder stuifmeel geen vitale bijen"

NBV Nederlandse Bijenhoudersvereniging

 

 

Zonder stuifmeel geen vitale bijen

 

Een doorlopende voedselvoorziening is essentieel voor de vitaliteit van een bijenvolk. Onder vitaliteit wordt verstaan groei, gezondheid en weerstand. Bij een verminderd voedselaanbod passen bijen zich aan voor wat betreft de grootte van het broednest en krimpt het volk in zonder dat dit de vitaliteit aantast. Voedseltekorten leiden op termijn wel tot gezondheidsproblemen. 

Het zijn de jonge bijen die stuifmeel eten en verteren. Stuifmeel in de vorm van bijenbrood (*) is het beste. Ze hebben veel stuifmeel nodig waarvan ze de eiwitten afbreken tot aminozuren, die ze gebruiken voor het maken van lichaamseigen eiwitten. Sommige daarvan spelen een rol bij het immuunsysteem; andere worden gebruikt voor de opbouw van de vleugelspieren, voor de ontwikkeling van de kopklieren, de productie van speciale eiwitten zoals enzymen en hormonen, de productie van voedersap en voor het versterken van het eiwitvetlichaam. Dat eiwitvetlichaam wordt in het larvenstadium aangelegd. Daarvoor zijn grote hoeveelheden voedersap met lichaamseigen eiwitten nodig die door de jonge bijen worden aangeleverd. 

In het popstadium speelt het eiwitvetlichaam al een rol bij de ombouw van pop naar imago. Bij de jonge bij gaat de ontwikkeling van het eiwitvetlichaam verder. Het zit bij de volwassen bijen door heel het bijenlijf, maar vooral bovenin het achterlijf. Het heeft meerdere functies. Zo is het een opslagplaats van reservevoedsel, een biochemische werkplaats voor de aanmaak van eiwitten en wordt er de aanwezigheid van bepaalde stoffen in het bloed geregeld. Voor de vitaliteit van een bij is het essentieel dat een larf goed wordt gevoed met eiwitrijk voedersap. Dat verhoogt de levensverwachting. Een werksterlarve heeft 50 mg voedersap nodig om een gewicht van 35 mg te bereiken. Tekorten in het larvenstadium kunnen later in het volwassen stadium onvoldoende worden gecompenseerd. Bij imago’s weerspiegelt de grootte van het eiwitvetlichaam de voedingstoestand, en daarmee de vitaliteit, van de bij. In rijkelijk gevoede bijen is het eiwitvetlichaam duidelijk groter.

Veel eiwit wordt als reserve opgeslagen in het eiwitvetlichaam en daarnaast ook in het bloed en de voedersapklieren. Bij voedsterbijen is het gehalte eiwit in het bloed het hoogste (4,3%), in haalbijen is dat gedaald tot 1,7%. 

 

Vitellogenine:

Een heel belangrijk reserve-eiwit is vitellogenine, een zogeheten gluco-lipo-proteïne bestaande uit lange ketens van suiker/gluco (2%), vet/lipo (7%) en eiwit/proteïne (91%). Bijen gebruiken vitellogenine als voedingsreservoir in hun lichaam, als grondstof voor de productie van koninginnengelei, als een component van hun immuunsysteem , als een antioxidant om de levensduur te verlengen van koningin en haalbijen en als een hormoon dat het toekomstig haalgedrag zal beïnvloeden. Vitellogenine vervult dus diverse functies. Ook wordt het aangesproken en verwerkt als er aan het eind van de winter nog geen vers stuifmeel binnenkomt en er toch al larven moeten worden gevoed. Bij de geboorte van de bij is de hoeveelheid vitellogenine minimaal; deze neemt toe tot ze 9 tot 12 dagen is, waarna de hoeveelheid gestaag weer afneemt. Er is een duidelijk verband tussen de grootte van de voedersapklieren en de hoeveelheid eiwit en dus ook vitellogenine in het bloed. Hoewel het gehalte aan vitellogenine na de geboorte erg laag is, is het gehalte in het bloed in de eerste vier dagen na de geboorte bepalend voor het haalgedrag op latere leeftijd. Een relatief hoog gehalte aan vitellogenine, gevolg van de voeding in het larvestadium, levert naderhand werksters op die vooral stuifmeel verzamelen. Bovendien leven die werksters langer dan werksters met na de geboorte relatief weinig vitellogenine in het bloed. Die worden meestal nectarhaalster. 

 

Eiwittekorten compenseren:

Het bijenvolk reageert op tekorten aan eiwit door het broednest in te laten krimpen en met kannibalisme (opeten van eitjes en de jongste larven) als een vorm van recycling van eiwitten. Tevens worden de cellen van de oudere larven eerder verzegeld. Toch lijken de bijen die nog geboren worden normaal en vertonen ze geen noemenswaardig afwijkende waarden voor gehaltes aan stikstof en mineralen. Om de broedbeperkende maatregelen van de bijen te voorkomen, zouden in drachtarme perioden stuifmeelvervangingsmiddelen de tekorten kunnen compenseren. Een middel dat goed voldeed als het op de raten onder de dekplank werd gelegd, was samengesteld op basis van soja, melkeiwitten, biergist, lijnolie en sacharose. In Amerika zijn de eiwitrijke stuifmeelvervangers Bee-Pro (op basis van soja) en Feed-Bee (bevat geen soja) commercieel verkrijgbaar. Jonge bijen op een dieet van Bee-Pro of van Feed-Bee hadden een hoger gehalte aan eiwit in het bloed dan met een dieet van stuifmeel dat door bijen was verzameld. De mening dat middelen op basis van soja het optreden van nosema zouden bevorderen, is niet wetenschappelijk onderbouwd. Een imker in Duitsland voert met succes sojameel als het broed stuifmeel nodig heeft en dat bijvoorbeeld door droogte niet of nauwelijks voorhanden is, dan wel als er in het voorjaar slechts windbloeiers (elzen en dennen) stuifmeel leveren. Dat sojameel moeten de bijen wel buiten halen uit een kastje waarin het sojameel redelijk droog blijft en daardoor niet teveel aan elkaar plakt. In het voorjaar bijvoeren met stuifmeel bevorderde een vroege en versterkte broedaanzet met als gevolg meer bijen eind april. Bijvoeren met stuifmeel in het najaar leidde tot een langer doorgaan met het aanzetten van broed. Gevolg daarvan was niet dat er meer winterbijen werden geboren, maar dat die later in het najaar verschenen. Dat stuifmeel werd verkregen via stuifmeelvallen. Bijvoeren met stuifmeel via bijenbrood in raten kan ook, maar dan moet wel de herkomst bekend zijn. Dit om te voorkomen dat stuifmeel waarin mogelijk ziektekiemen aanwezig zijn aan de bijen wordt gegeven. Bijvoeren met bijenbrood uit volken met AVB, EVB of nosema is natuurlijk uit den boze. Evenzo is het niet raadzaam om bijenbrood te halen uit volken die zijn ‘verdwenen’ Dit probleem is te voorkomen door zo snel mogelijk na de honingoogst de varroamijten te bestrijden. In veel gevallen kan dat al vanaf half juli. Dan meteen bestrijden verhoogt de kans op het ontstaan van vitale winterbijen. Als het bijenvolk al problemen heeft met zijn natuurlijke weerstand wordt die nog verder verzwakt door beide nosemasoorten. De microsporidiën van nosema tasten de darmwand aan waardoor de spijsvertering en daarmee de opname van voedingsstoffen in het bloed verslechtert. Dat heeft uiteraard weer gevolgen voor de opbouw van het eiwitvetlichaam en de vitaliteit van bijen. Algemeen bekend is het advies om vroeg in het voorjaar volken naar de wilgendracht te brengen. Dan groeien ze als kool en zijn ze het snelst een infectie met Nosema apis te boven. Dat positieve effect van eiwitten in het voorjaar is experimenteel ook aangetoond bij volken die besmet zijn met Nosema ceranae (gemiddeld 2,4 miljoen sporen per bij vóór de eiwitvoeding) . Door in het vroege voorjaar bij te voeren met Bee-Pro, een eiwitrijk stuifmeelvervangingsmiddel, konden de verzwakte volken tijdig op krachten komen en uitgroeien tot goede bestuivingsvolken voor de amandelboomgaarden in Californië, USA. Op die manier een ernstige besmetting met varroamijten (5-30 mijten per 200 bijen) ‘bestrijden’ had veel minder succes."

 

(*) Bijenbrood: zie ook Apitherapie/Bijenbrood.

 

Eenzijdig stuifmeel
Door van allerlei planten stuifmeel te verzamelen, krijgen de
bijen voldoende van de verschillende bouwstenen (aminozuren)
voor de eiwitten in huis. Uit het oogpunt van bijengezondheid
is dat een goede zaak. In proeven blijkt een dieet van slechts
één soort (monofloraal) stuifmeel vooral te leiden tot vermin-
derde sociale weerstand tegen allerlei ziekteverwekkers. Een
verminderde hoeveelheid van het enzym glucoseoxidase in de
kop van jonge bijen als gevolg van voeding met maar één soort
stuifmeel is daar een aanwijzing voor. Minder glucoseoxidase
betekent dat minder glucose wordt omgezet en minder water-
stofperoxide ontstaat, wat weer maakt dat het voedsel van lar-
ven en de voorraad honing minder steriel zijn. Gelukkig blijkt in
de praktijk dat honingbijen die in ons kleinschalige land wor-
den ingezet op monoculturen zoals koolzaad, appelboomgaar-
den en percelen teunisbloem, toch nog ander stuifmeel kunnen
halen. Het noodgedwongen verzamelen van stuifmeel van
maar één soort bloemen zal bij ons in de praktijk dan ook nau-
welijks voorkomen.
Vergissen
Soms ‘vergissen’ honingbijen zich in het verzamelen van
poedervormige stoffen. Dat kan variëren van sporen van roest-
schimmels tot steenstof bij steenovens en steenkolenstof bij
kolenmijnen. Het lijkt erop dat het poederachtige karakter van
bepaalde stoffen de reden is waarom het door bijen wordt ver-
zameld. Dat kan er toe leiden dat bijen stoffen verzamelen die
geen voedingswaarde hebben en soms zelfs schadelijk zijn. Dit
verschijnsel doet zich vooral voor als er door weersomstandig-
heden op planten weinig of geen stuifmeel te halen is. Als uw
bijen in een omgeving staan waar weinig stuifmeel te halen
valt, is drachtverbetering rondom uw bijenstand hard nodig,
dan wel reizen naar een gebied met een betere dracht. Een bij-
envolk leeft in evenwicht met het drachtaanbod uit zijn omge-
ving en het regelmatig dan wel langdurig aanbieden van stuif-
meelvervangingsmiddelen verstoort dit evenwicht.
Stuifmeelvervangers kunnen problemen door een tijdelijk
gebrek aan dracht verlichten.
Vitaliteit
EenEenzijdig stuifmeel
Door van allerlei planten stuifmeel te verzamelen, krijgen de
bijen voldoende van de verschillende bouwstenen (aminozuren)
voor de eiwitten in huis. Uit het oogpunt van bijengezondheid
is dat een goede zaak. In proeven blijkt een dieet van slechts
één soort (monofloraal) stuifmeel vooral te leiden tot vermin-
derde sociale weerstand tegen allerlei ziekteverwekkers. Een
verminderde hoeveelheid van het enzym glucoseoxidase in de
kop van jonge bijen als gevolg van voeding met maar één soort
stuifmeel is daar een aanwijzing voor. Minder glucoseoxidase
betekent dat minder glucose wordt omgezet en minder water-
stofperoxide ontstaat, wat weer maakt dat het voedsel van lar-
ven en de voorraad honing minder steriel zijn. Gelukkig blijkt in
de praktijk dat honingbijen die in ons kleinschalige land wor-
den ingezet op monoculturen zoals koolzaad, appelboomgaar-
den en percelen teunisbloem, toch nog ander stuifmeel kunnen
halen. Het noodgedwongen verzamelen van stuifmeel van
maar één soort bloemen zal bij ons in de praktijk dan ook nau-
welijks voorkomen.
Vergissen
Soms ‘vergissen’ honingbijen zich in het verzamelen van
poedervormige stoffen. Dat kan variëren van sporen van roest-
schimmels tot steenstof bij steenovens en steenkolenstof bij
kolenmijnen. Het lijkt erop dat het poederachtige karakter van
bepaalde stoffen de reden is waarom het door bijen wordt ver-
zameld. Dat kan er toe leiden dat bijen stoffen verzamelen die
geen voedingswaarde hebben en soms zelfs schadelijk zijn. Dit
verschijnsel doet zich vooral voor als er door weersomstandig-
heden op planten weinig of geen stuifmeel te halen is. Als uw
bijen in een omgeving staan waar weinig stuifmeel te halen
valt, is drachtverbetering rondom uw bijenstand hard nodig,
dan wel reizen naar een gebied met een betere dracht. Een bij-
envolk leeft in evenwicht met het drachtaanbod uit zijn omge-
ving en het regelmatig dan wel langdurig aanbieden van stuif-
meelvervangingsmiddelen verstoort dit evenwicht.
Stuifmeelvervangers kunnen problemen door een tijdelijk
gebrek aan dracht verlichten.
Vitaliteit
Een doorlopende voedselvoorziening is essentieel voor de
vitaliteit van een bijenvolk. Onder vitaliteit wordt verstaan groei,
gezondheid en weerstand. Bij een verminderd voedselaanbod
passen bijen zich aan voor wat betreft de grootte van het broed-
nest en krimpt het volk in zonder dat dit de vitaliteit aantast. De
broedaanzet kan zelfs geheel stoppen als er amper voedsel meer
binnenkomt. Bestuivingsvolken in bepaalde bedekte teelten
zoals aardbeien laten dat nogal eens zien. Voedseltekorten lei-
den op termijn tot gezondheidsproblemen. Bijvoeren met stuif-
meelvervangers is dan noodzakelijk maar beter is bijvoeren met
ramen met bijenbrood uit andere volken, mits die donorvolken
gezond zijn.
Eenzijdig stuifmeel
Door van allerlei planten stuifmeel te verzamelen, krijgen de
bijen voldoende van de verschillende bouwstenen (aminozuren)
voor de eiwitten in huis. Uit het oogpunt van bijengezondheid
is dat een goede zaak. In proeven blijkt een dieet van slechts
één soort (monofloraal) stuifmeel vooral te leiden tot vermin-
derde sociale weerstand tegen allerlei ziekteverwekkers. Een
verminderde hoeveelheid van het enzym glucoseoxidase in de
kop van jonge bijen als gevolg van voeding met maar één soort
stuifmeel is daar een aanwijzing voor. Minder glucoseoxidase
betekent dat minder glucose wordt omgezet en minder water-
stofperoxide ontstaat, wat weer maakt dat het voedsel van lar-
ven en de voorraad honing minder steriel zijn. Gelukkig blijkt in
de praktijk dat honingbijen die in ons kleinschalige land wor-
den ingezet op monoculturen zoals koolzaad, appelboomgaar-
den en percelen teunisbloem, toch nog ander stuifmeel kunnen
halen. Het noodgedwongen verzamelen van stuifmeel van
maar één soort bloemen zal bij ons in de praktijk dan ook nau-
welijks voorkomen.
Vergissen
Soms ‘vergissen’ honingbijen zich in het verzamelen van
poedervormige stoffen. Dat kan variëren van sporen van roest-
schimmels tot steenstof bij steenovens en steenkolenstof bij
kolenmijnen. Het lijkt erop dat het poederachtige karakter van
bepaalde stoffen de reden is waarom het door bijen wordt ver-
zameld. Dat kan er toe leiden dat bijen stoffen verzamelen die
geen voedingswaarde hebben en soms zelfs schadelijk zijn. Dit
verschijnsel doet zich vooral voor als er door weersomstandig-
heden op planten weinig of geen stuifmeel te halen is. Als uw
bijen in een omgeving staan waar weinig stuifmeel te halen
valt, is drachtverbetering rondom uw bijenstand hard nodig,
dan wel reizen naar een gebied met een betere dracht. Een bij-
envolk leeft in evenwicht met het drachtaanbod uit zijn omge-
ving en het regelmatig dan wel langdurig aanbieden van stuif-
meelvervangingsmiddelen verstoort dit evenwicht.
Stuifmeelvervangers kunnen problemen door een tijdelijk
gebrek aan dracht verlichten.
Vitaliteit
Een doorlopende voedselvoorziening is essentieel voor de
vitaliteit van een bijenvolk. Onder vitaliteit wordt verstaan groei,
gezondheid en weerstand. Bij een verminderd voedselaanbod
passen bijen zich aan voor wat betreft de grootte van het broed-
nest en krimpt het volk in zonder dat dit de vitaliteit aantast. De
broedaanzet kan zelfs geheel stoppen als er amper voedsel meer
binnenkomt. Bestuivingsvolken in bepaalde bedekte teelten
zoals aardbeien laten dat nogal eens zien. Voedseltekorten lei-
den op termijn tot gezondheidsproblemen. Bijvoeren met stuif-
meelvervangers is dan noodzakelijk maar beter is bijvoeren met
ramen met bijenbrood uit andere volken, mits die donorvolken
gezond zijn.
Eenzijdig stuifmeel
Door van allerlei planten stuifmeel te verzamelen, krijgen de
bijen voldoende van de verschillende bouwstenen (aminozuren)
voor de eiwitten in huis. Uit het oogpunt van bijengezondheid
is dat een goede zaak. In proeven blijkt een dieet van slechts
één soort (monofloraal) stuifmeel vooral te leiden tot vermin-
derde sociale weerstand tegen allerlei ziekteverwekkers. Een
verminderde hoeveelheid van het enzym glucoseoxidase in de
kop van jonge bijen als gevolg van voeding met maar één soort
stuifmeel is daar een aanwijzing voor. Minder glucoseoxidase
betekent dat minder glucose wordt omgezet en minder water-
stofperoxide ontstaat, wat weer maakt dat het voedsel van lar-
ven en de voorraad honing minder steriel zijn. Gelukkig blijkt in
de praktijk dat honingbijen die in ons kleinschalige land wor-
den ingezet op monoculturen zoals koolzaad, appelboomgaar-
den en percelen teunisbloem, toch nog ander stuifmeel kunnen
halen. Het noodgedwongen verzamelen van stuifmeel van
maar één soort bloemen zal bij ons in de praktijk dan ook nau-
welijks voorkomen.
Vergissen
Soms ‘vergissen’ honingbijen zich in het verzamelen van
poedervormige stoffen. Dat kan variëren van sporen van roest-
schimmels tot steenstof bij steenovens en steenkolenstof bij
kolenmijnen. Het lijkt erop dat het poederachtige karakter van
bepaalde stoffen de reden is waarom het door bijen wordt ver-
zameld. Dat kan er toe leiden dat bijen stoffen verzamelen die
geen voedingswaarde hebben en soms zelfs schadelijk zijn. Dit
verschijnsel doet zich vooral voor als er door weersomstandig-
heden op planten weinig of geen stuifmeel te halen is. Als uw
bijen in een omgeving staan waar weinig stuifmeel te halen
valt, is drachtverbetering rondom uw bijenstand hard nodig,
dan wel reizen naar een gebied met een betere dracht. Een bij-
envolk leeft in evenwicht met het drachtaanbod uit zijn omge-
ving en het regelmatig dan wel langdurig aanbieden van stuif-
meelvervangingsmiddelen verstoort dit evenwicht.
Stuifmeelvervangers kunnen problemen door een tijdelijk
gebrek aan dracht verlichten.
Vitaliteit
Een doorlopende voedselvoorziening is essentieel voor de
vitaliteit van een bijenvolk. Onder vitaliteit wordt verstaan groei,
gezondheid en weerstand. Bij een verminderd voedselaanbod
passen bijen zich aan voor wat betreft de grootte van het broed-
nest en krimpt het volk in zonder dat dit de vitaliteit aantast. De
broedaanzet kan zelfs geheel stoppen als er amper voedsel meer
binnenkomt. Bestuivingsvolken in bepaalde bedekte teelten
zoals aardbeien laten dat nogal eens zien. Voedseltekorten lei-
den op termijn tot gezondheidsproblemen. Bijvoeren met stuif-
meelvervangers is dan noodzakelijk maar beter is bijvoeren met
ramen met bijenbrood uit andere volken, mits die donorvolken
gezond zijn.

Uit: Bijenhouden 2011 juli/augustus #8

Auteurs: Henk van der Scheer en Mari van Iersel

"Een paar praktische zaken"

NBV, Nederlandse Bijenhoudersvereniging

 

Eenzijdig stuifmeel 

Door van allerlei planten stuifmeel te verzamelen, krijgen de bijen voldoende van de verschillende bouwstenen (aminozuren) voor de eiwitten in huis. Uit het oogpunt van bijengezondheid is dat een goede zaak. In proeven blijkt een dieet van slechts één soort (monofloraal) stuifmeel vooral te leiden tot verminderde sociale weerstand tegen allerlei ziekteverwekkers. Een verminderde hoeveelheid van het enzym glucoseoxidase in de kop van jonge bijen als gevolg van voeding met maar één soort stuifmeel is daar een aanwijzing voor. Minder glucoseoxidase betekent dat minder glucose wordt omgezet en minder waterstofperoxide ontstaat, wat weer maakt dat het voedsel van larven en de voorraad honing minder steriel zijn. Gelukkig blijkt in de praktijk dat honingbijen die in ons kleinschalige land worden ingezet op monoculturen zoals koolzaad, appelboomgaarden en percelen teunisbloem, toch nog ander stuifmeel kunnen halen. Het noodgedwongen verzamelen van stuifmeel van maar één soort bloemen zal bij ons in de praktijk dan ook nauwelijks voorkomen. 

 

Soms ‘vergissen’ honingbijen zich in het verzamelen van poedervormige stoffen. Dat kan variëren van sporen van roestschimmels tot steenstof bij steenovens en steenkolenstof bij kolenmijnen. Het lijkt erop dat het poederachtige karakter van bepaalde stoffen de reden is waarom het door bijen wordt verzameld. Dat kan er toe leiden dat bijen stoffen verzamelen die geen voedingswaarde hebben en soms zelfs schadelijk zijn. Dit verschijnsel doet zich vooral voor als er door weersomstandigheden op planten weinig of geen stuifmeel te halen is. Als uw bijen in een omgeving staan waar weinig stuifmeel te halen valt, is drachtverbetering rondom uw bijenstand hard nodig, dan wel reizen naar een gebied met een betere dracht. Een bijenvolk leeft in evenwicht met het drachtaanbod uit zijn omgeving en het regelmatig dan wel langdurig aanbieden van stuifmeelvervangingsmiddelen verstoort dit evenwicht. Stuifmeelvervangers kunnen problemen door een tijdelijk gebrek aan dracht verlichten.

 

Bijenbrood/stuifmeel (en nectar) is soms ernstig verontreinigd met residuen van gewasbeschermingsmiddelen. Bijen komen daarmee chronisch in aanraking; eerst bij het verzamelen van nectar en stuifmeel en later bij het consumeren van de opgeslagen voorraden honing en bijenbrood. In proeven is vastgesteld dat die verontreiniging subletale effecten kan veroorzaken in de vorm van fysiologische veranderingen (afnemende vitaliteit, geringere vruchtbaarheid, kortere levensduur), gedragsveranderingen (verminderde oriëntatie, moeilijker voedsel zoeken) en veranderingen in leerprocessen. Vooral insecticiden uit de groep van neonicotinen worden verdacht van sluipende negatieve effecten. Toch kan in de praktijk niet worden vastgesteld dat het slechter gaat met volken die vliegen op koolzaad, maïs of zonnebloemen waarvan het zaaizaad is behandeld met een neonicotine zoals imidacloprid of clothia -nidine en waarvan het stuifmeel residuen bevat van deze middelen. Mogelijk is dit zo omdat imidacloprid en de afbraakproducten daarvan vrij snel worden omgezet in het bijenlichaam.

Door de opslag van verontreinigd stuifmeel (en nectar) in de raten, wordt de was ook verontreinigd met gewasbeschermingsmiddelen die daarin gemakkelijk oplosbaar zijn. En als de imker dan ook nog ter bestrijding van varroamijten middelen gebruikt waarvan de residuen gemakkelijk in vet (bijenwas) oplossen, wordt de belasting met vreemde stoffen voor het bijenvolk nog groter. Die verontreiniging is ook reden om van was uit oude raten geen kunstraat te maken, maar die was te gebruiken voor het maken van kaarsen. 

 

Gedurende het seizoen leven haalbijen maar 3 tot 4 weken; winterbijen daarentegen leven wel 7 tot 8 maanden. Vermindering van de vitaliteit betekent dat de bijen korter leven. Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen, zoals ziekten en plagen, maar ook voedselgebrek en vergiftiging door gewasbeschermingsmiddelen. Dat laatste kennen we als spuitschade. Een dieptepunt ten gevolge van spuitschade was de sterfte van alle haalbijen van ruim duizend volken in 1996 in ons land, met name in Drenthe, Twente en de Achterhoek. Die vlogen op aardappelplanten waarop vele luizen honingdauw afscheidden. De veel te late bestrijding van die luizen met dimethoaat verontreinigde de honingdauw en dat kostte de foeragerende haalbijen vervolgens de kop. Gelukkig komt dergelijke spuitschade in ons land nog maar sporadisch voor. Betrekkelijk nieuw is het fenomeen van abnormaal grote sterfte van bijen in de winter. Sinds de winter 2001-2002 gebeurt dat ieder jaar. Elk voorjaar levert dat een verlies op van gemiddeld 20-30% van de volken. Verschillende oorzaken hiervoor zijn in de loop der tijd aangewezen, maar veel onderzoekers in Amerika en Europa komen steeds meer tot de conclusie dat bijenvirussen overgebracht door varroamijten of geholpen door Nosema ceranae bij het binnendringen via de wand van de middendarm de hoofdoorzaak zijn. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen in hoeverre subletale doseringen van gewasbeschermingsmiddelen het nadelige effect op de bijengezondheid door varroamijten plus virussen kunnen verergeren. Proeven in het laboratorium lijken te wijzen op een dergelijk effect, aldus dr. Jeff Pettis, hoofd van het bijenlaboratorium van het Amerikaanse landbouwministerie. Een geringe dosering van een neonicotine deed nosema toenemen. Monitoring in het veld bevestigde die waarneming echter niet.

Eenzijdig stuifmeel
Door van allerlei planten stuifmeel te verzamelen, krijgen de
bijen voldoende van de verschillende bouwstenen (aminozuren)
voor de eiwitten in huis. Uit het oogpunt van bijengezondheid
is dat een goede zaak. In proeven blijkt een dieet van slechts
één soort (monofloraal) stuifmeel vooral te leiden tot vermin-
derde sociale weerstand tegen allerlei ziekteverwekkers. Een
verminderde hoeveelheid van het enzym glucoseoxidase in de
kop van jonge bijen als gevolg van voeding met maar één soort
stuifmeel is daar een aanwijzing voor. Minder glucoseoxidase
betekent dat minder glucose wordt omgezet en minder water-
stofperoxide ontstaat, wat weer maakt dat het voedsel van lar-
ven en de voorraad honing minder steriel zijn. Gelukkig blijkt in
de praktijk dat honingbijen die in ons kleinschalige land wor-
den ingezet op monoculturen zoals koolzaad, appelboomgaar-
den en percelen teunisbloem, toch nog ander stuifmeel kunnen
halen. Het noodgedwongen verzamelen van stuifmeel van
maar één soort bloemen zal bij ons in de praktijk dan ook nau-
welijks voorkomen.
Vergissen
Soms ‘vergissen’ honingbijen zich in het verzamelen van
poedervormige stoffen. Dat kan variëren van sporen van roest-
schimmels tot steenstof bij steenovens en steenkolenstof bij
kolenmijnen. Het lijkt erop dat het poederachtige karakter van
bepaalde stoffen de reden is waarom het door bijen wordt ver-
zameld. Dat kan er toe leiden dat bijen stoffen verzamelen die
geen voedingswaarde hebben en soms zelfs schadelijk zijn. Dit
verschijnsel doet zich vooral voor als er door weersomstandig-
heden op planten weinig of geen stuifmeel te halen is. Als uw
bijen in een omgeving staan waar weinig stuifmeel te halen
valt, is drachtverbetering rondom uw bijenstand hard nodig,
dan wel reizen naar een gebied met een betere dracht. Een bij-
envolk leeft in evenwicht met het drachtaanbod uit zijn omge-
ving en het regelmatig dan wel langdurig aanbieden van stuif-
meelvervangingsmiddelen verstoort dit evenwicht.
Stuifmeelvervangers kunnen problemen door een tijdelijk
gebrek aan dracht verlichten.
Vitaliteit

Een

Eenzijdig stuifmeel
Door van allerlei planten stuifmeel te verzamelen, krijgen de
bijen voldoende van de verschillende bouwstenen (aminozuren)
voor de eiwitten in huis. Uit het oogpunt van bijengezondheid
is dat een goede zaak. In proeven blijkt een dieet van slechts
één soort (monofloraal) stuifmeel vooral te leiden tot vermin-
derde sociale weerstand tegen allerlei ziekteverwekkers. Een
verminderde hoeveelheid van het enzym glucoseoxidase in de
kop van jonge bijen als gevolg van voeding met maar één soort
stuifmeel is daar een aanwijzing voor. Minder glucoseoxidase
bet min glucose wordt omgezet en minder water-
stofperoxide ontstaat, wat weer maakt dat het voedsel van lar-
ven en de voorraad honing minder steriel zijn. Gelukkig blijkt in
de praktijk dat honingbijen die in ons kleinschalige land wor-
den ingezet op monoculturen zoals koolzaad, appelboomgaar-
den en percelen teunisbloem, toch nog ander stuifmeel kunnen
halen. Het noodgedwongen verzamelen van stuifmeel van
maar één soort bloemen zal bij ons in de praktijk dan ook nau-
welijks voorkomen.
Vergissen
Soms ‘vergissen’ honingbijen zich in het verzamelen van
poedervormige stoffen. Dat kan variëren van sporen van roest-
schimmels tot steenstof bij steenovens en steenkolenstof bij
kolenmijnen. Het lijkt erop dat het poederachtige karakter van
bepaalde stoffen de reden is waarom het door bijen wordt ver-
zameld. Dat kan er toe leiden dat bijen stoffen verzamelen die
geen voedingswaarde hebben en soms zelfs schadelijk zijn. Dit
verschijnsel doet zich vooral voor als er door weersomstandig-
heden op planten weinig of geen stuifmeel te halen is. Als uw
bijen in een omgeving staan waar weinig stuifmeel te halen
valt, is drachtverbetering rondom uw bijenstand hard nodig,
dan wel reizen naar een gebied met een betere dracht. Een bij-
envolk leeft in evenwicht met het drachtaanbod uit zijn omge-
ving en het regelmatig dan wel langdurig aanbieden van stuif-
meelvervangingsmiddelen verstoort dit evenwicht.
Stuifmeelvervangers kunnen problemen door een tijdelijk

gebrek aan dracht verlichten.

Door van allerlei planten stuifmeel te verzamelen, krijgen de
bijen voldoende van de verschillende bouwstenen (aminozuren)
voor de eiwitten in huis. Uit het oogpunt van bijengezondheid
is dat een goede zaak. In proeven blijkt een dieet van slechts
één soort (monofloraal) stuifmeel vooral te leiden tot vermin-
derde sociale weerstand tegen allerlei ziekteverwekkers. Een
verminderde hoeveelheid van het enzym glucoseoxidase in de
kop van jonge bijen als gevolg van voeding met maar één soort
stuifmeel is daar een aanwijzing voor. Minder glucoseoxidase
betekent dat minder glucose wordt omgezet en minder water-
stofperoxide ontstaat, wat weer maakt dat het voedsel van lar-
ven en de voorraad honing minder steriel zijn. Gelukkig blijkt in
de praktijk dat honingbijen die in ons kleinschalige land wor-
den ingezet op monoculturen zoals koolzaad, appelboomgaar-
den en percelen teunisbloem, toch nog ander stuifmeel kunnen
halen. Het noodgedwongen verzamelen van stuifmeel van
maar één soort bloemen zal bij ons in de praktijk dan ook nau-
welijks voorkomen.
Vergissen
Soms ‘vergissen’ honingbijen zich in het verzamelen van
poedervormige stoffen. Dat kan variëren van sporen van roest-
schimmels tot steenstof bij steenovens en steenkolenstof bij
kolenmijnen. Het lijkt erop dat het poederachtige karakter van
bepaalde stoffen de reden is waarom het door bijen wordt ver-
zameld. Dat kan er toe leiden dat bijen stoffen verzamelen die
geen voedingswaarde hebben en soms zelfs schadelijk zijn. Dit
verschijnsel doet zich vooral voor als er door weersomstandig-
heden op planten weinig of geen stuifmeel te halen is. Als uw
bijen in een omgeving staan waar weinig stuifmeel te halen
valt, is drachtverbetering rondom uw bijenstand hard nodig,
dan wel reizen naar een gebied met een betere dracht. Een bij-
envolk leeft in evenwicht met het drachtaanbod uit zijn omge-
ving en het regelmatig dan wel langdurig aanbieden van stuif-
meelvervangingsmiddelen verstoort dit evenwicht.
Stuifmeelvervangers kunnen problemen door een tijdelijk
gebrek aan dracht verlichten.
Vitaliteit

EenEenzijdig stuifmeel Door van allerlei planten stuifmeel te verzamelen, krijgen de bijen voldoende van de verschillende bouwstenen (aminozuren) voor de eiwitten in huis. Uit het oogpunt van bijengezondheid is dat een goede zaak. In proeven blijkt een dieet van slechts één soort (monofloraal) stuifmeel vooral te leiden tot verminderde sociale weerstand tegen allerlei ziekteverwekkers. Een verminderde hoeveelheid van het enzym glucoseoxidase in de kop van jonge bijen als gevolg van voeding met maar één soort stuifmeel is daar een aanwijzing voor. Minder glucoseoxidase betekent dat minder glucose wordt omgezet en minder waterstofperoxide ontstaat, wat weer maakt dat het voedsel van larven en de voorraad honing minder steriel zijn. Gelukkig blijkt in de praktijk dat honingbijen die in ons kleinschalige land worden ingezet op monoculturen zoals koolzaad, appelboomgaarden en percelen teunisbloem, toch nog ander stuifmeel kunnen halen. Het noodgedwongen verzamelen van stuifmeel van maar één soort bloemen zal bij ons in de praktijk dan ook nauwelijks voorkomen. Vergissen Soms ‘vergissen’ honingbijen zich in het verzamelen van poedervormige stoffen. Dat kan variëren van sporen van roestschimmels tot steenstof bij steenovens en steenkolenstof bij kolenmijnen. Het lijkt erop dat het poederachtige karakter van bepaalde stoffen de reden is waarom het door bijen wordt verzameld. Dat kan er toe leiden dat bijen stoffen verzamelen die geen voedingswaarde hebben en soms zelfs schadelijk zijn. Dit verschijnsel doet zich vooral voor als er door weersomstandigheden op planten weinig of geen stuifmeel te halen is. Als uw bijen in een omgeving staan waar weinig stuifmeel te halen valt, is drachtverbetering rondom uw bijenstand hard nodig, dan wel reizen naar een gebied met een betere dracht. Een bijenvolk leeft in evenwicht met het drachtaanbod uit zijn omgeving en het regelmatig dan wel langdurig aanbieden van stuifmeelvervangingsmiddelen verstoort dit evenwicht. Stuifmeelvervangers kunnen problemen door een tijdelijk gebrek aan dracht verlichten