Invloed van drachtplanten op de honingsamenstelling.

 

Auteur: Cor Vonk Noordegraaf

Uit: Bijenhouden, nummer 1, februari 2018, 12e jaargang

 

"Imkers houden vanouds bijen voor de honing. Dat daar later de bevordering van de bestuiving van een aantal cultuurgewassen is bijgekomen, is voor sommigen een interessante bijvangst en voor anderen een belangrijke bron van inkomen. 

 

Honingbijen verzamelen nectar en slaan die op als honing voor een schaarse periode. Door het verzamelen van deze nectar leveren bijen vaak een belangrijke bijdrage aan kruisbestuiving, zodat hun bezoek van wederzijds belang is. 

Een heel andere bron van honing is honingdauw. Dat is een suikerrijke afscheiding van insecten, meestal van bladluizen. Bladluizen zuigen floeemsappen uit planten om zich daarmee te voeden. Een deel van de opgenomen suikers worden weer afgescheiden als honingdauw. Die uitwerpselen worden door de bijen opgezogen en als honing opgeslagen.  De samenstelling van honingdauw verschilt van die van nectar. 

 

Er zijn planten waarbij de nectarklieren ook nog op andere plaatsen worden aangetroffen dan alleen in de bloemen. Bijvoorbeeld bij sommige Prunussoorten zitten ze aan de bladranden, bladsteel of onderzijde van het blad. Dit noem je extraflorale honingklieren (buiten de bloem). In beide gevallen bestaat de nectar uit suikerrijk floeemsap. Bij veel planten is de verhouding tussen glucose en fructose in de nectar gelijk, bij andere is er meer fructose dan glucose (zoals bij de rode klaver en veel lipbloemigen). Bij slechts enkele planten bevat de nectar meer glucose dan fructose (zoals de paardebloem en koolzaad), waardoor een snelle kristallisatie ontstaat. Bij een hoog fructosegehalte blijft de honing juist vloeibaar (zoals bij de acacia). 

De samenstelling van deze suikers bepalen in belangrijke mate de smaak en de fysische eigenschappen van honing.

Het is niet zo dat als er veel nectar afgescheiden wordt, het suikergehalte daarvan ook hoog is. De honingproductie in een droge, warme periode is vaak hoog. Het suikergehalte van nectar loopt uiteen van 5 - 80% afhankelijk van de plantensoort en omgevingsfactoren. 

 

De hoeveel uitgescheiden nectar en het suikergehalte ervan is afhankelijk van de plantensoort, cultivar, tijdstip van de dag, luchtvochtigheid en bodemgesteldheid. Er zijn planten die de meeste nectar 's morgens afscheiden (zoals de wilde marjolein, salie en de zonnebloem) en bij andere planten ligt de top in de middag (zoals bij de linde). Bovendien varieert bij veel drachtplanten het suikergehalte van de nectar gedurende een etmaal. 

 

Honing is een echt natuurproduct dat zijn smaak ontleent aan de herkomst van de nectar. Behalve bij monoflorale honing, heeft iedere partij bloemenhoning een eigen smaak. Die wordt bepaald door de variatie in soorten en de dichtheid van drachtplanten in de omgeving van de standplaats, jaargetijde en bloeiperiode. 

De verschillen in eigenschappen van honing, zoals smaak, samenstelling en neiging tot kristalliseren, zijn het gemakkelijkst te bepalen bij monoflorale honing. Om die te oogsten heb je drachtplanten nodig die massaal gelijktijdig bloeien. Bij belangrijke drachtplanten zoals koolzaad, linde, witte klaver, heide en reuzenbalsemien lukt dat vrij goed doordat zij bij gunstig weer zoveel nectar produceren dat bijen geen behoefte hebben naar andere drachtplanten om te zien. 

Hierdoor zijn bijen zo geschikt voor bestuiving.

 

Nectar bevat in geringe mate reuk- en smaakstoffen, die samen met de suikersamenstelling de smaak van de honing bepalen. Vaak is ook wel te proeven dat honing uit een Mediterraan gebied afkomstig is, door de kruidige smaak. Bij monoflorale honing is het voor een fijnproever niet moeilijk om de drachtplant te herkennen waarvan hij afkomstig is. Smaak en reuk hangen nauw samen."